Cultureel kapitaal
Culturele infrastructuur en aanbod (benchmark)
We hebben openbare data over cultuur verzameld voor zover die uit te splitsen zijn naar de twaalf provincies van Nederland. Hiermee komt de positie van de provincie Noord-Brabant in vergelijking tot andere provincies in beeld. Dit deel van het onderzoek kan dan ook worden gezien als een provinciale benchmark. De aanpak sluit aan bij de werkwijze van de landelijke Cultuurmonitor van de Boekmanstichting en de specificaties hierop voor de provinciale benchmarks zoals die in eerdere edities van Waarde van Cultuur en andere provincies zoals Zeeland en Gelderland. Ook de indicatoren die verzameld zijn komen uit deze benchmark en de monitor van de Boekmanstichting. Het gaat dan met name om cijfers over het culturele aanbod (zowel soorten instellingen als soorten tentoon- en voorstellingen, maar ook nabijheid van voorzieningen), participatie (cultuurdeelname passief en actief) en geldstromen (financiering vanuit overheden en fondsen), culturele opleidingen (mbo, hbo en wo), bedrijvigheid en werkgelegenheid.
De cijfers komen uit de periode 2017–2024 en soms 2025. De data komen met name van het CBS, van andere landelijke trendonderzoeken (zoals het LISS-panel van Centerdata van de Universiteit van Tilburg), van DUO en SBB (voor data over culturele opleidingen) en van brancheorganisaties zoals die van poppodia en festivals, musea en bibliotheken. Alle data zijn geordend naar provincie. Daarmee worden absolute verschillen met andere provincies inzichtelijk. We kijken echter ook naar gewogen data, voor zover weging relevant kan worden toegepast. De weging is op basis van bevolkingsaantallen per provincie (voor elk jaar in de periode 2017–2025).
Zie het dashboard voor een gedetailleerde beschrijving van de indicatoren en meer informatie over de bron.
Cultuurlocaties
In het najaar van 2025 is aan de zeven BrabantStad-gemeenten gevraagd om te kijken naar een lijst met cultuurlocaties. Deze lijst is net als in eerdere edities van de Waarde van Cultuur samengesteld door Dialogic. Zij schakelden voor deze editie een partner in om de dataverzameling minder tijdrovend te maken. De locaties die zijn verzameld afficheerden zich op Google Maps in een van de zeven gemeenten als een cultuurlocatie: een museum, beeldende-kunstlocatie (inclusief ateliers), een filmlocatie/bioscoop, een locatie waar muziek geprogrammeerd wordt, een theater of zaal voor podiumkunst en/of een locatie waar meerdere culturele activiteiten plaatsvinden. Afzonderlijk hiervan werden via de database van de Koninklijke Bibliotheek de bibliotheekvestigingen in de steden verzameld (alleen de vestigingen, geen afhaal- of servicepunten). De indeling in disciplines is verzorgd door Dialogic (en partner).
Nieuw in deze editie is het verzamelen van meer gegevens over de functie van de locatie. Eerder werd vastgesteld of de locatie, volgens de BAG, een woonfunctie of een andere functie had. Nu werd met een tekstgestuurde webscraper gekeken of de locatie ook openingstijden had (volgens Google Maps en/of de website van een locatie), of er een activiteitenagenda op de website stond en welke soort activiteiten er werd geprogrammeerd: er wordt wel/geen beeldende kunst tentoongesteld, films vertoond, concerten gegeven, voorstellingen opgevoerd. Deze combinatie van extra gegevens heeft het mogelijk gemaakt binnen de beeldende-kunstlocaties te kijken naar ateliers die open zijn voor publiek (openingstijden hebben en/of beeldende kunst tentoonstellen) en ateliers die dat niet doen (een atelier zijn die puur en alleen toegankelijk is voor de maker).
Alle gevonden locaties zijn eerst door de onderzoekers gescreend en ingedeeld in ‘cultuurlocatie’ of ‘geen cultuurlocatie’. De lijst met deze beoordelingen werd voorgelegd aan de gemeenten. De (cultuur)ambtenaren gaven vervolgens aan of de locaties ook volgens hen cultuurlocaties zijn en welke niet. Ze beoordeelden ook de indeling in disciplines van de locaties. Ook vulden ze de lijst aan met locaties die gemist werden. Tot slot gaven ze aan met welke van de cultuurlocaties zij een subsidierelaties hadden.
De gemeenten kregen voor dit werk een lijst met instructies. Hierin is de definitie van een cultuurlocatie vooraf gegeven als ‘een openbare plek waar culturele activiteiten plaatsvinden’. De volgende criteria golden:
1. Cultuurlocaties tellen alleen als ze openbaar toegankelijk zijn. Dit betekent:
- Ze kennen (vaste) openingstijden
- En/of ze zijn open op vooraf geplande momenten (zoals het geval is bij bijv. voorstellingen)
2. Cultuurlocaties tellen alleen als ze op een adres zonder woonfunctie zitten.
- Dit sluit alle locaties aan huis uit, tenzij de locatie (op gezette tijden) toch een openbare functie vervult, bijvoorbeeld wanneer een atelier incidenteel ook een galeriefunctie kent – zie ook toelichting bij punt 4.
3. Culturele verenigingen, en hun oefenlocatie of registratieadres, tellen niet mee
- Deze hebben veelal geen vaste locatie. Wanneer dit wel het geval is, is het eerder een repetitielocatie of een administratief adres en geen concertlocatie. Daarmee zijn ze wel cultuurproducent, maar geen locatie waar cultuur bezocht kan worden.
4. Ateliers tellen niet mee.
- Als een locatie zowel een galerie als een atelier is, is het wel een cultuurlocatie. Dat wil zeggen: als de locatie op (vaste of flexibele) tijden ook open is voor bezoek.
- Vanwege een grote overlap tussen Google Maps en het handelsregister van de KvK staan veel ZZP-kunstenaars er met hun huisadres in. Op basis van criteria 1 en 2 tellen deze locaties niet mee, tenzij deze locatie op gezette tijden ook te bezoeken is.
5. Locaties voor tijdelijke evenementen (zoals parkeerplaatsen en weilanden waar festivals gegeven worden) tellen wel mee.
- Bovenstaande locaties bieden soms ruimte voor meerdere festivals e.d. per jaar. We gaan hierbij dan uit van de locatie, en niet van alle losse evenementen die op deze locatie plaatsvinden.
Culturele opleidingen
Voor de cijfers over culturele MBO-opleidingen heeft SBB maatwerk aangeleverd bij de Boekmanstichting, zodat de cijfers over meerdere jaren en op provinciaal niveau beschikbaar werden. Binnen het MBO zijn alle opleidingen binnen de marktsegmenten ‘Kunsten en Entertainment’, ‘Communicatie, media en design’ en ‘Creatief vakmanschap’ meegenomen. Vanuit DUO zijn binnen het HBO alle opleidingen in de categorie ‘Taal en cultuur’ meegenomen. Op WO-niveau zijn uit diezelfde categorie de drie opleidingsrichtingen die binnen Noord-Brabant beschikbaar zijn bestudeerd.
Cultuureducatie
De cijfers over Cultuureducatie met Kwaliteit zijn afkomstig uit de Monitor Cultuureducatie in Brabant 2021-2024 van Het PON & Telos. Voor de onderzoeksverantwoording verwijzen we naar dit rapport.
Ondersteuning cultuurbeoefening en amateurkunst
Voor de cijfers over Brabantse amateurkunstverenigingen hebben we gebruikt gemaakt van de data van het LKCA uit hun Verenigingsmonitor 2024. 301 Brabantse amateurkunstverenigingen vulden de vragenlijst in van het LKCA.
De kaart Cultuurbeleid in Brabantse gemeenten van Kunstloc Brabant wordt jaarlijks geactualiseerd. De laatste actualisatie vond plaats in juli 2026. De gegevens worden door Kunstloc Brabant verzameld, en ter controle voorgelegd aan cultuurambtenaren van de gemeenten. Het aantal fte voor de combinatiefunctionaris cultuur komt uit de inventarisatie door Mullier (2024) zoals ontsloten in het dashboard van Waarstaatjegemeente.
De informatie over multifunctionele organisaties is afkomstig uit het rapport van Atlas Research: Culturele multifunctionele organisaties. Een exploratief onderzoek naar organisaties met meerdere culturele functies (november 2022). In dit onderzoek brengt Atlas Research culturele multifunctionele organisaties (mfo’s) in beeld. Bij een culturele mfo gaat het in de eerste plaats om organisaties die meerdere culturele functies uitvoeren, al dan niet vanaf één locatie, of een culturele locatie die bestaat uit meerdere culturele organisaties en waar meerdere culturele functies worden aangeboden aan bezoekers. Organisaties of locaties die één culturele functie combineren met één of meerdere niet-culturele functies tellen niet mee. Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van verschillende databronnen. Uit deze databron nen zijn adresgegevens gehaald van de verschillende culturele organisaties, locaties of functies. De bronnen zijn: Koninklijke Bibliotheek (KB). Cultuurconnectie (CC), Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Nederlandse Galerie Associatie (NGA), Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF), Vereniging van Schouwburg en Concertgebouwdirecties (VSCD), Atlas Research podiumkunstendatabase en Nederlandse Verenging voor Bioscopen en Filmhuizen (NVBF).
Met behulp van de ledenlijst van Cultuurconnectie (geraadpleegd op 26 mei 2026) is het aantal Brabantse leden bepaald.
Sociaal kapitaal
Brabant ten opzichte van andere provincies
We hebben openbare data over cultuur verzameld voor zover die uit te splitsen zijn naar de twaalf provincies van Nederland. Hiermee komt de positie van de provincie Noord-Brabant in vergelijking tot andere provincies in beeld. Dit deel van het onderzoek kan dan ook worden gezien als een provinciale benchmark. De aanpak sluit aan bij de werkwijze van de Regionale Cultuurmonitor van de Boekmanstichting, een monitor die voor een belangrijk deel is ontstaan vanuit de dataverzameling voor de landelijke Cultuurmonitor van de Boekmanstichting en de specificaties hierop voor de provinciale benchmarks zoals die in eerdere edities van Waarde van Cultuur en andere provincies zoals Zeeland en Gelderland. Ook de indicatoren die verzameld zijn komen uit deze benchmark en de monitor van de Boekmanstichting. Het gaat dan met name om cijfers over het culturele aanbod (zowel soorten instellingen als soorten tentoon- en voorstellingen, maar ook nabijheid van voorzieningen), participatie (cultuurdeelname passief en actief) en geldstromen (financiering vanuit overheden en fondsen), bedrijvigheid en werkgelegenheid.
De cijfers komen uit de periode 2017–2024 en soms 2025. De data komen met name van het CBS, van andere landelijke trendonderzoeken (zoals het LISS-panel van Centerdata van de Universiteit van Tilburg) en van brancheorganisaties zoals die van poppodia en festivals, musea en bibliotheken. Alle data zijn geordend naar provincie. Daarmee worden absolute verschillen met andere provincies inzichtelijk, bijvoorbeeld: Noord-Brabant heeft een x-aantal bioscopen en dat is meer/minder dan andere provincies. We kijken echter ook naar gewogen data, voor zover weging relevant kan worden toegepast. De weging is op basis van bevolkingsaantallen per provincie (voor elk jaar in de periode 2017–2025). Zo ontstaat een gewogen rangorde van de provincies, bijvoorbeeld Noord-Brabant heeft per hoofd van de bevolking x-aantal bioscopen en staat daarmee landelijk op een x-plaats tussen alle andere provincies (waarvan uiteraard ook de cijfers gewogen zijn).
Cultuurpeiling
Ten opzichte van Waarde van cultuur 2022 is de vragenlijst voor Waarde van cultuur 2024 geactualiseerd en waar mogelijk aangesloten op de VTO (VrijeTijdsOmnibus), een standaard vragenlijst van het CBS en de Boekmanstichting. Voor Waarde van cultuur 2026 is deze geactualiseerde vragenlijst als uitgangspunt genomen. Omdat de vragenlijst dit jaar grotendeels ongewijzigd is gebleven ten opzichte van 2024, is het voor meer vragen mogelijk om een vergelijking in de tijd te maken. De volledige vragenlijst is op te vragen bij Het PON & Telos.
De cultuurpeiling is in 2025 door 2.619 Brabanders ingevuld. Alle respondenten zijn woonachtig in Brabant en hebben de vragenlijst online ingevuld. De vragenlijst heeft via PanelClix uitgestaan in september en oktober van 2025.
Representativiteit
Om voor heel Brabant representatieve uitspraken te kunnen doen, is het databestand gewogen op de variabelen leeftijd, opleidingsniveau en geslacht. Dit betekent dat respondenten met kenmerken die minder vaak voorkomen in de data dan in de Brabantse populatie in de analyses iets meer gewicht in de schaal leggen. Een weegfactor van 1 betekent dat het aandeel in de respons gelijk is aan het aandeel in de populatie. Een weegfactor boven de 1 corrigeert voor ondervertegenwoordiging in de respons, een weegfactor onder de 1 corrigeert voor oververtegenwoordiging in de respons. Tabellen 1 en 2 geven per achtergrondkenmerk weer wat de respons was en hoe de weging is vormgegeven.
In de responsgroep waren er aanzienlijk meer vrouwen dan mannen vertegenwoordigd: 59% is vrouw en 41% is man. In de Brabantse populatie is de verdeling meer in evenwicht: 51% vrouw en 49% man. In de analyses krijgen vrouwen dan ook gemiddeld een lagere weegfactor dan mannen.
Als we kijken naar de leeftijdsverdeling, dan zien we dat jongeren tot en met 29 jaar ondervertegenwoordigd zijn: 11% in de steekproef ten opzichte van 19% in de Brabantse populatie. Respondenten tussen de 50 en 64 jaar zijn relatief gezien oververtegenwoordigd: in de steekproef bevat deze groep 29% van het totaal, in de populatie 26%.
Om een weegfactor voor leeftijd en geslacht te maken, hebben we de verschillende leeftijdsgroepen uitgesplitst naar geslacht. Op basis hiervan hebben we gekeken naar de verdeling in de steekproef in vergelijking met de Brabantse populatie (CBS Statline, 2025). Hierdoor zien we dat met name jonge mannen (t/m 39 jaar) en oudere vrouwen (van 75 jaar en ouder) sterk ondervertegenwoordigd zijn in de steekproef. Met name jonge mannen van 16 t/m 29 jaar hebben een opvallend hoge weegfactor (3,622), wat duidt op een forse ondervertegenwoordiging van deze groep. Oudere vrouwen van 75 jaar en ouder krijgen eveneens een relatief zwaar gewicht (1,639). Deze groepen krijgen daardoor een zwaarder gewicht in de analyses. In tabel 1 is de verdeling van de weegfactoren voor de verschillende categorieën te vinden.
Tabel 1: Verdeling van geslacht en leeftijdsgroepen binnen de respons en de populatie, met gehanteerde weegfactor.
| Verdeling respons | Verdeling populatie in Brabant (CBS Statline, 2025) | Weegfactor | ||
|---|---|---|---|---|
| Vrouw | 16 t/m 29 jaar | 8% | 9% | 1,148 |
| 30 t/m 39 jaar | 10% | 8% | 0,789 | |
| 40 t/m 49 jaar | 8% | 7% | 0,883 | |
| 50 t/m 64 jaar | 17% | 13% | 0,732 | |
| 65 t/m 74 jaar | 12% | 7% | 0,605 | |
| 75 jaar en ouder | 4% | 7% | 1,639 | |
| Man | 16 t/m 29 jaar | 3% | 10% | 3,622 |
| 30 t/m 39 jaar | 5% | 8% | 1,762 | |
| 40 t/m 49 jaar | 6% | 7% | 1,146 | |
| 50 t/m 64 jaar | 12% | 13% | 1,027 | |
| 65 t/m 74 jaar | 10% | 7% | 0,690 | |
| 75 jaar en ouder | 6% | 6% | 0,969 |
We zien dat in de groep die de vragenlijst heeft ingevuld relatief gezien minder mensen zijn met een opleidingsachtergrond op bo- of vmbo-niveau, vergeleken met het aandeel mensen met dit opleidingsniveau in de Brabantse populatie (21% vs. 26%). Zij krijgen daarom een hoger gewicht in de analyses. Mbo-geschoolden en hbo- of wo-geschoolden zijn licht oververtegenwoordigd in de responsgroep ten opzichte van de Brabantse populatie. Daarom krijgen deze groepen een iets lager gewicht in de analyses. In tabel 2 is de precieze verdeling van de gehanteerde weegfactoren te vinden.
Tabel 2: Verdeling van opleidingsniveau binnen de respons en de populatie, met gehanteerde weegfactor.
| Verdeling respons | Verdeling populatie in Brabant | Weegfactor | |
|---|---|---|---|
| Bo- en vmbo-geschoolden | 21% | 26% | 1,253 |
| Mbo-geschoolden | 40% | 37% | 0,917 |
| Hbo- en wo-geschoolden | 39% | 37% | 0,949 |
Stedelijkheid
Van de respondenten kwam 48% uit stedelijk gebied en 52% uit niet-stedelijk gebied. De stedelijkheid van een gebied is verkregen door de mate van stedelijkheid te koppelen aan de vier cijfers van de postcode van de respondenten. Er is niet gewogen naar mate van stedelijkheid.
Culturele doelgroepen van Brabant
Het Culturele Doelgroepenmodel is een segmentatiemethode speciaal voor de culturele sector. Alle huishoudens in Nederland worden via hun postcode en huisnummer gekoppeld aan een specifiek type cultuurbezoeker. Dit gebeurt op het niveau van een huishouden.
De data worden verzameld door TDA Analytics. De data bouwen zij op door (openbare) databronnen te combineren met de inzichten uit lifestyle marktonderzoek. De data van elk woonadres is daarbij onderverdeeld in diverse thema’s, die inzicht geven in de feitelijke kenmerken van de woning en omgeving en een betrouwbare inschatting van de samenstelling en levensstijl van het huishouden.
Economisch kapitaal
Provinciale en gemeentelijke cultuuruitgaven
We hebben openbare data over cultuur verzameld voor zover die uit te splitsen zijn naar de twaalf provincies van Nederland. Hiermee komt de positie van de provincie Noord-Brabant in vergelijking tot andere provincies in beeld. Dit deel van het onderzoek kan dan ook worden gezien als een provinciale benchmark. De aanpak sluit aan bij de werkwijze van de Regionale Cultuurmonitor van de Boekmanstichting, een monitor die voor een belangrijk deel is ontstaan vanuit de dataverzameling voor de landelijke Cultuurmonitor van de Boekmanstichting en de specificaties hierop voor de provinciale benchmarks zoals die in eerdere edities van Waarde van Cultuur en andere provincies zoals Zeeland en Gelderland. Ook de indicatoren die verzameld zijn komen uit deze benchmark en de monitor van de Boekmanstichting. Het gaat dan met name om cijfers over het culturele aanbod (zowel soorten instellingen als soorten tentoon- en voorstellingen, maar ook nabijheid van voorzieningen), participatie (cultuurdeelname passief en actief) en geldstromen (financiering vanuit overheden en fondsen), bedrijvigheid en werkgelegenheid.
De cijfers komen uit de periode 2017–2024 en soms 2025. De data komen met name van het CBS, van andere landelijke trendonderzoeken (zoals het LISS-panel van Centerdata van de Universiteit van Tilburg) en van brancheorganisaties zoals die van poppodia en festivals, musea en bibliotheken. Alle data zijn geordend naar provincie. Daarmee worden absolute verschillen met andere provincies inzichtelijk, bijvoorbeeld: Noord-Brabant heeft een x-aantal bioscopen en dat is meer/minder dan andere provincies. We kijken echter ook naar gewogen data, voor zover weging relevant kan worden toegepast. De weging is op basis van bevolkingsaantallen per provincie (voor elk jaar in de periode 2017–2025). Zo ontstaat een gewogen rangorde van de provincies, bijvoorbeeld Noord-Brabant heeft per hoofd van de bevolking x-aantal bioscopen en staat daarmee landelijk op een x-plaats tussen alle andere provincies (waarvan uiteraard ook de cijfers gewogen zijn).
Uitvraag professionele instellingen (Culturele Atlas)
Van in totaal 177 instellingen uit de B7-steden hebben we voor de periode 2019-2024 gegevens over inkomsten, subsidies en (personele) lasten verzameld. Concreet betekent dit dat bij de gemeenten de jaarstukken van de door hen meerjarig gesubsidieerde instellingen zijn opgevraagd. We vroegen om:
- De jaarrekeningen (bij voorkeur) of de jaarverslagen (als er geen jaarrekeningen beschikbaar zijn) uit 2022 en 2024 van de culturele instellingen waarmee de gemeente een structurele en/of meerjarige subsidierelatie heeft en die zich hiervoor hebben moeten verantwoorden.
- Daarbij vroegen we naar wat de verantwoordingsgrens is (dit kan bijvoorbeeld bij bedragen vanaf 5.000 euro zijn, maar soms ook hoger zoals 25.000 euro).
- Een herhaalde verlening van projectsubsidies rekenen we in het kader van dit onderzoek ook onder een structurele/meerjarige subsidierelatie.
- Mogelijk hebben gemeenten al een overzicht van dit soort cijfers voor 2023 en 2024, bijvoorbeeld in Excel. Als dit het geval is, dan hebben we deze ook opgevraagd.
Vervolgens zijn alle benodigde cijfers in de jaarrekeningen opgezocht en ingevoerd in een format in Excel. Dit format bestaat uit drie tabbladen (inkomsten, subsidies en lasten). Per tabblad worden per instelling de cijfers ingevoerd naar deelcategorie.
Tabel 3: Begrippen (o.a. o.b.v. Handboek verantwoording cultuursubsidies OCW 2017-2020 en laatste wijzigingen, update gecheckt bij OCW juli 2021)
| Inkomsten |
| – Publieksinkomsten: Met publieksinkomsten wordt bedoeld de eigen inkomsten uit bv kaartverkoop (recettes of uitkopen), horeca (tijdens uitvoeringen), verkoop van programma’s, beeld- of geluiddragers, inkomsten uit vergoedingen van radio of televisie, crowdfunding en eventueel overige direct aan het publiek gerelateerde inkomsten. |
| – Sponsoring: Met sponsoring wordt bedoeld inkomsten van een persoon of organisatie, meestal een bedrijf, die een activiteit of organisatie steunt door geld of andere middelen ter beschikking te stellen, in ruil voor publiciteit. |
| – Totaal bijdragen uit private middelen zijn alle financiële bijdragen van private partijen (particulieren, inclusief vriendenverenigingen, bedrijven, private fondsen en goede doelen loterijen). Bijdragen zijn giften, schenkingen, donaties, legaten, nalatenschappen of contributies. Het betreft geen sponsorinkomsten. |
| – Overige directe en indirecte inkomsten: Hiermee worden alle inkomsten bedoeld die en directe relatie hebben met de kernactiviteit(en) en niet bij de voornoemde twee posten zijn genoemd. Ook vallen hier de inkomsten onder die geen of slechts een indirecte relatie hebben met de kernactiviteiten van de rechtspersoon. Hieronder vallen zaken als verhuur van onroerend goed, horeca los van voorstellingen en het uitlenen van personeel. |
| Subsidies |
| – Structureel OCW: Subsidie als BIS-instelling |
| – Structureel Fonds: structurele subsidie van landelijke cultuurfondsen (Letterenfonds, Fonds Podiumkunsten. Mondriaan Fonds, Filmfonds, Fonds voor Cultuurparticipatie, Stimuleringsfonds voor Creatieve Industrie( |
| – Structureel Provincie: structurele subsidie vanuit de provincie. |
| -Structureel Gemeente: structurele subsidie vanuit de gemeente. |
| – Overige publieke subsidies zijn subsidies van bv gemeentelijke of provinciale fondsen, idem voor niet-structurele/projectsubsidies van alle herkomsten |
| – NB: subsidies van o.a. Cultuurfonds, VSB Fonds, Fonds21 etc. worden bij ‘private inkomsten’ onder ‘Inkomsten’ genoteerd |
| – NB: Inkomsten uit coronasteunmaatregelen zijn als overige inkomsten geregistreerd. |
| Lasten |
| – Totaal personeel: De totale personele lasten binnen de organisatie omvatten de lasten voor personeel met een vast contract, lasten voor personeel met een tijdelijk contract en de inhuur van personeel. Het gaat hierbij om zowel beheerslasten als activiteitenlasten, mocht dit onderscheid gemaakt worden. Honoraria van uitvoerenden vallen hier niet onder. |
Bedrijvigheid en werkgelegenheid
Binnen het economisch kapitaal is gebruik gemaakt van CBS Microdata-bestanden. Onder strikte voorwaarden kunnen instanties de Microdata-bestanden gebruiken om zelf onderzoek te doen. Het PON & Telos heeft toegang tot deze Microdata-bestanden middels een Remote Access verbinding. Ten opzichte van de vorige uitgave van de monitor Waarde van Cultuur zijn er een paar kleine veranderingen doorgevoerd.
Aantal werkenden
Het aantal banen en de arbeidsvolume is berekend met behulp van de
Aantal zelfstandigen
Om inzicht te krijgen in het aantal zelfstandigen in de creatieve sector, is gebruik gemaakt van het bestand
Aantal bedrijfsvestigingen
Het aantal bedrijfsvestigingen in de creatieve industrie is in kaart gebracht met het Algemeen Bedrijvenregister (ABR Regio). De gegevens in dit bestand zijn gebaseerd op het Nieuwe Handelsregister van de Kamer van Koophandel en gegevens van de Belastingdienst. Omdat bedrijven uit meerdere vestigingen kunnen bestaan, die niet per se zijn gevestigd in dezelfde gemeente of provincie, is er gekeken naar het aantal bedrijfsvestigingen op zowel het niveau van de provincie als de gemeenten binnen de provincie. In sommige gevallen betreft het vestigingen waar volgens de gegevens in het Algemeen Bedrijvenregister geen werkzame personen zijn. Deze bedrijfsvestigingen zijn in deze publicatie gepresenteerde cijfers dan ook niet meegenomen. We zijn uitgegaan van het aantal bedrijfsvestigingen in december van het desbetreffende statistiekjaar. Op die manier hebben we mogelijke dubbeltellingen uit de data gehaald, die ontstaan door administratieve wisselingen waardoor bedrijven onder verschillende identificatienummers in de data kunnen verschijnen (door bijvoorbeeld overname of verhuizing binnen dezelfde gemeente). Het is nog steeds mogelijk dat er een kleine overschatting in de data zit, doordat zelfstandigen zonder personeel ook in de Kamer van Koophandel staan ingeschreven en dus ook in het Algemeen Bedrijvenregister worden meegenomen.
Tabel 4: Indeling SBI codes
| Kunsten en cultureel erfgoed (KCE) | Media en entertainment (ME) | Creatief zakelijke dienstverlening (CZK) |
|---|---|---|
| 7990 Informatieverstrekking op het gebied van toerisme en reserveringsbureaus | 5811 Uitgeverijen van boeken | 7021 Public relationsbureaus |
| 85521 Dansscholen | 5812 Databanken | 71111 Architecten (geen interieurarchitecten) |
| 85522 Kunstzinnige vorming van amateurs (geen dansscholen) | 5813 Uitgeverijen van kranten | 71112 Interieurarchitecten |
| 90011 Beoefening van podiumkunst | 5814 Uitgeverijen van tijdschriften | 7311 Reclamebureaus |
| 90012 Producenten van podiumkunst | 5819 Overige uitgeverijen (niet van software) | 7312 Handel in advertentieruimte en -tijd |
| 9002 Dienstverlening voor uitvoerende kunsten | 5821 Uitgeverijen van computerspellen | 74101 Communicatie- en grafisch ontwerp |
| 9003 Schrijven en overige scheppende kunsten | 5829 Overige uitgeverijen van software | 74102 Industrieel en productontwerp |
| 90041 Theaters en schouwburgen | 59111 Productie van films (geen televisiefilms) | 74103 Interieur- en ruimtelijk ontwerp |
| 91011 Openbare bibliotheken | 59112 Productie van televisieprogramma’s | |
| 91012 Kunstuitleencentra | 5912 Facilitaire activiteiten voor film-, video- en televisieproductie | |
| 91019 Overige culturele uitleencentra en openbare archieven | 5913 Distributie van films, video- en televisieproducties | |
| 91021 Musea | 5914 Bioscopen | |
| 91022 Kunstgalerieën en -expositieruimten | 5920 Maken en uitgeven van geluidsopnamen | |
| 9103 Monumentenzorg | 6010 Radio-omroepen | |
| 94993 Steunfondsen (niet op het gebied van welzijnszorg) | 6020 Televisie-omroepen | |
| 6391 / 6321 Persagentschappen | ||
| 6399 / 6329 Overige dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie | ||
| 74201 Fotografie | ||
| 90013 Circus en variété | ||
| 93211 Pret- en themaparken | ||
| 93212 Kermisattracties |
Werken buiten de culturele sector
De online vragenlijst is door 156 culturele instellingen en 181 makers/ kunstenaars in Brabant ingevuld in februari 2026. De culturele instellingen vertegenwoordigen producenten podiumkunsten, visuele kunsten, musea, festivals, poppodia, overige podia, centra voor de kunsten, bibliotheken en filmtheaters. Makers werkzaam in verschillende sectoren zijn vertegenwoordigd in het onderzoek. In de onderstaande paragraaf is meer informatie terug te vinden over de achtergrond van de respondenten.
Culturele instellingen
Tabel 5: Type organisatie
| Type organisatie | N | % |
|---|---|---|
| Podium | 21 | 13 |
| Festival | 8 | 5 |
| Museum | 12 | 8 |
| Bibliotheek | 3 | 2 |
| Centrum voor de kunsten | 9 | 6 |
| Gezelschap, producent, collectief of (kunstenaars)initiatief | 31 | 20 |
| Werkplaats of productiehuis | 9 | 6 |
| Opleider of onderwijsinstelling | 2 | 1 |
| Advies of dienstverlening voor de culturele sector | 3 | 2 |
| Anders | 58 | 37 |
| Totaal | 156 | 100 |
De meerderheid van de respondenten is vertegenwoordiger van een culturele instelling met 1 t/m 9 medewerkers (67%). 21% van de respondenten is vertegenwoordiger van een culturele instelling met 10 t/m 49 medewerkers, 13% heeft 50 of meer medewerkers.
Individuele kunstenaars en makers
Tabel 6: Sector (meerdere antwoorden mogelijk)
| N | % | |
|---|---|---|
| Theater | 23 | 13% |
| Dans | 12 | 7% |
| Muziek | 32 | 18% |
| Podiumkunsten divers | 23 | 13% |
| Beeldende kunst | 108 | 60% |
| Digitale cultuur en gaming | 10 | 6% |
| Design en mode | 22 | 12% |
| Architectuur | 10 | 6% |
| Film en AV (audiovisueel) | 25 | 14% |
| Erfgoed | 15 | 8% |
| Letteren | 18 | 10% |
| Bibliotheken | 5 | 3% |
| Amateurkunst en cultuureducatie | 40 | 22% |
| Overkoepelend en multidisciplinair, niet gebonden aan één sector | 17 | 9% |
| Anders, namelijk: | 21 | 12% |
70% van de respondenten houdt zich bezig met productie (alleen of in gezelschap) en/of 40% met presentatie (bij een podium, festival, bioscoop etc.) en/of 52% met ontwikkeling/kennisdeling (opleiding, concours etc.).
75% van de respondenten is werkzaam als zelfstandige zonder personeel/freelancer. 5% werkt vanuit een eigen bedrijf met personeel, 2% is in loondienst en 19% is een combinatie van dezen.
Verdieping
Jongeren en cultuur
In het voorjaar van 2026 (eind maart tot en met eind juni) zijn zes werksessies gehouden met verschillende groepen jongeren, verspreid over de provincie. Voor deze werksessies is gebruikgemaakt van de triviantmethode, een afgeleide vorm van de focusgroep die zich goed leent voor een brainstorm en snel inzicht geeft in wat er onder de deelnemers speelt. Hierbij wordt een dialoogzeil gebruikt: een spelbord met daarop de vragen/thema’s waarop verdieping gewenst is, in dit geval de vragen welke culturele activiteiten men bezocht (vraag 1) en nog zou willen bezoeken maar nog niet deed (vraag 2), en welke culturele activiteiten men deed/beoefende (vraag 3) en nog zou willen beoefenen maar nog niet deed (vraag 4).
Per zeil namen zes tot tien jongeren in tweetallen plaats, bij voorkeur samen met iemand die zij niet goed kenden. Elk tweetal boog zich per ronde over één van de vragen en schreef de ideeën op post-its, die werden geplakt in het bijbehorende vlak van het zeil. Na verloop van tijd schoven de tweetallen door naar de volgende vraag, waarbij ze zowel eigen ideeën konden toevoegen als konden aanvullen op wat eerdere tweetallen al hadden opgeschreven. Samen duurde dat circa één uur. Daarna werd een half uur tot drie kwartier nagesproken met de hele groep over de antwoorden en vooral ook over waarom men welke dingen nog niet deed/bezocht.
Er is bij de groepssamenstelling zoveel mogelijk gepoogd te letten op leeftijd (jongere en oudere jongeren), opleiding (van vmbo tot hbo) en stedelijkheid van de gemeente (van zeer sterk stedelijk – Tilburg – tot weinig stedelijk – Deurne en Boxmeer; een en ander op basis van CBS-indelingen in stedelijkheid). Ook is erop gelet om geen kleine gemeenten te kiezen die heel dicht bij een grote gemeente liggen. Met de hulp van de gemeenten en welzijns- en onderwijsorganisaties zijn de gesprekken georganiseerd. In Breda werd gesproken met een groep jonge leerlingen van de Nieuwe Veste, het centrum voor cultuureducatie. In Tilburg met een groep jongeren die de kunstvakopleiding van Fontys volgen en met een groep vmbo/mbo-jongeren uit Tilburg-Noord. In Deurne met een groep jongens van een mbo-opleiding. In Boxmeer met een groep vwo-leerlingen (klas 5) en in Roosendaal eveneens met een groep vwo-leerlingen (klas 5). De jongeren werd een vergoeding voor deelname van 25 euro in het vooruitzicht gesteld. Soms kreeg ook een organiserende instelling een bescheiden vergoeding.