Gemeentelijk cultuurbeleid
De gemeente Tilburg maakt in het Kunst- en cultuurplan 2025-2028 de beweging van een #stadvanmakers naar een #stadvoormakers, waarbij rust en ruimte voor de sector centraal staan. Tilburg kiest voor drie doelstellingen:
- Vergroten van de sociale impact van kunst en cultuur. De stad zet in op cultuurstimulering voor alle Tilburgers in het belang van ontwikkeling, welzijn en gezondheid (o.a. via Arts for Health).
- Versterken van het ecosysteem: makers, organisaties, instellingen en publiek | #stadvoormakers #stadvoorcultuur. Dat betekent het verder versterken van de culturele spelers in de stad. Terwijl er ruimte geboden wordt aan vernieuwing bij zowel gevestigde organisaties als nieuwe makers en talentontwikkeling stimuleren.
- Ruimte: cultuur als aanjager voor gebiedsontwikkeling en de transformatie van de stad. Dat betekent investeren in fysieke ruimte (broedplaatsen, ateliers) en cultuur integreren in gebiedsontwikkeling en de transformatie van de stad.
Cultureel kapitaal
Het cultureel kapitaal gaat over de eigenstandige waarde en dynamiek van de culturele sector. Het gaat hier vooral over de meer ‘tastbare kant’ van het cultureel kapitaal. In dit gemeenteprofiel wordt er gekeken naar de culturele infrastructuur van Tilburg en de Tilburgse
Culturele infrastructuur
We presenteren de cijfers uit de benchmark die tot op gemeenteniveau beschikbaar zijn. Dat zijn de nabijheid van culturele voorzieningen voor inwoners van de gemeente, de vestigingen en servicepunten van bibliotheken en locaties van bioscopen en/of filmhuizen.
De gemeente Tilburg telt in totaal zes vestigingen van openbare bibliotheken (2,7 per 100.000 inwoners in 2023, goed voor een tweede positie in BrabantStad). De gemiddelde afstand over de weg tot een bibliotheeklocatie bedraagt in Tilburg 1,9 km. Binnen BrabantStad zijn er geen andere gemeenten waar de bibliotheeklocaties zo nabij zijn.
Net als in andere gemeenten is de afstand tot musea (3,5 km), podiumkunstlocaties (3,9 km) of poppodia (4,6 km) gemiddeld groter. In vergelijking met andere BrabantStad-gemeenten staat Tilburg daarmee op plek vijf en zes in de ranglijst.
De gemiddelde afstand tot een bioscoop is in Tilburg 4,1 km. Er waren in 2025 3 bioscopen/filmhuizen met een totaal van 24 doeken en
Cultuurlocaties en subsidierelatie
In het onderdeel Cultuurlocaties schetsen we een beeld van de cultuurlocaties in Tilburg, zowel gesubsidieerd als niet-gesubsidieerd door de gemeente. We kijken naar de verdeling over domeinen als beeldende kunst, muziek en podiumkunsten, en naar de verhouding tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde locaties. Waar relevant vergelijken we Tilburg met het BrabantStad-beeld. Deze editie komen voor het eerst ook de ateliers als losse categorie aan bod.
De gemeente Tilburg kent
Ook kent Tilburg verhoudingsgewijs meer bibliotheeklocaties dan in BrabantStad, namelijk 6% in Tilburg versus 4% in BrabantStad. Hetzelfde geldt voor podiumkunstenlocaties: 18% in Tilburg tegenover 16% in BrabantStad. Voor de overige domeinen geldt het omgekeerde: Tilburg kent een iets kleiner aandeel cultuurlocaties dan in BrabantStad. Enkele voorbeelden van cultuurlocaties in de andere domeinen zijn Kunstpodium T, De Pont en het Zuidelijk Toneel.
| Domein | BrabantStad | Tilburg | |
|---|---|---|---|
| Beeldende kunst | 33% | 30% | exclusief ateliers |
| Muziek | 17% | 26% | |
| Podiumkunsten | 16% | 18% | |
| Musea | 14% | 10% | |
| Film | 8% | 7% | |
| 4% | 6% | exclusief afhaal- of servicepunten | |
| Multifunctionele locaties | 9% | 4% | |
| Totaal | 100% | 100% |
Gesubsidieerd vs. niet-gesubsidieerd
Van de cultuurlocaties in Tilburg is 69% zonder gemeentesubsidie. Dit komt vrijwel overeen met BrabantStad in totaal.
Per domein zijn er wel opvallende verschillen. Relatief meer museumlocaties worden gesubsidieerd, net als locaties voor beeldende kunst. Voorbeelden van museum- en beeldende kunstlocaties met subsidie zijn Natuurmuseum Brabant en Kunstpodium T. Anders dan in de meeste andere BrabantStad-gemeenten worden in Tilburg geen filmlocaties gesubsidieerd (0% tegenover 8% in BrabantStad). Opvallend is verder dat Tilburg veel muzieklocaties heeft, waarvan er verhoudingsgewijs minder locaties door de gemeente ondersteund worden: 18% in Tilburg tegenover 28% in BrabantStad. Voorbeelden van muzieklocaties zonder subsidie zijn Club Smederij, Little Devil en Stadstheater de Boemel. Een voorbeeld van een overige locatie zonder subsidie is de Koepelhal.
Ateliers
Deze editie nemen we ook ateliers mee, zowel open als gesloten ateliers. Tilburg kent 71 ateliers, waarvan 79% open is. Dit is gelijk aan de verhouding in Breda en ‘s-Hertogenbosch. BrabantStad telt in totaal 370 ateliers, waarvan 72% open is. Het aandeel open ateliers ligt daarmee hoger dan het BrabantStad-gemiddelde. Voorbeelden van ateliers zijn Atelier DAP, Studio Gee (open), Atelier Art-Anja, Atelier Odiel en Ateliers013 (gesloten).
Sociaal kapitaal
Het sociaal kapitaal gaat over de maatschappelijke betekenis van kunst en cultuur: de waarde van kunst, cultuur en erfgoed voor het individu en voor de gemeenschap. In dit gemeenteprofiel wordt er verwezen naar de Tilburgse inwonersenquête, waar cultuur onderdeel van uitmaakt. Ook worden de culturele doelgroepen in Tilburg beschreven.
Lokale inwonersenquête
Iedere twee jaar organiseert de gemeente Tilburg een inwonersenquête. Cultuur is een onderdeel van deze enquête. De vragen worden afgestemd op de Brabantse cultuurpeiling.
Volgens de inwonersenquête 2024 krijgt het cultuuraanbod in Tilburg een waarderingscijfer van 7,6. Ruim twee derde van de inwoners bezocht het afgelopen jaar een bioscoop of filmhuis, en meer dan de helft bezocht een museum. Ook de grote culturele instellingen trekken veel bezoekers: 40% bezocht de Schouwburg en 37% bezocht 013.
Culturele doelgroepen
Om meer zicht te krijgen op verschillende publieksgroepen maken we gebruik van het Culturele Doelgroepenmodel van Rotterdam Festivals. Dit model deelt huishoudens in verschillende publieksgroepen in op basis van hun cultuurgedrag, leefstijl en sociaal-demografische kenmerken.
In Tilburg heeft bijna de helft van de huishoudens (45,4%) een gemiddeld cultuurgebruik, waarmee de stad zich duidelijk onderscheidt van de andere Brabantse steden. Dit komt vooral door het hoge aandeel Startende Cultuurspeurders: 13,5% van de Tilburgse huishoudens behoort tot deze groep, tegenover een provinciaal gemiddelde van 6,4%.
Ook de Proevende Buitenwijkers, met 21,2% de grootste groep in Tilburg, heeft een gemiddeld cultuurgebruik. Dit aandeel komt overeen met het Brabantse gemiddelde. Opvallend is daarnaast dat de jonge doelgroep van Nieuwsgierige Toekomstgrijpers (1,9%) in Tilburg iets sterker vertegenwoordigd is dan in andere Brabantse steden.
Huishoudens met een intensief cultuurgebruik zijn daarentegen minder aanwezig. De Klassieke Cultuurliefhebbers vormen in Tilburg 10,5% van de huishoudens, aanzienlijk minder dan het Brabantse gemiddelde van 17,5%. Ook bij twee andere groepen met een intensief cultuurgebruik, de Weelderige Cultuurminnaars en de Kindrijke Cultuurvreters, ligt het aandeel in Tilburg onder het provinciale niveau.
Economisch kapitaal
In het economisch kapitaal kijken we naar de culturele bedrijvigheid in termen van financiële stromen, het aantal bedrijven en de werkgelegenheid. In het Tilburgse gemeenteprofiel staan we stil bij de cultuuruitgaven van de gemeente, maar ook bij de werkgelegenheid (het aantal zzp’ers en aantal banen) en bedrijvigheid in de creatieve sector.
Cultuuruitgaven gemeente
Voor de cultuuruitgaven van de gemeente kijken we naar cijfers van het CBS op basis van de
De uitgaven aan cultuur in de gemeente Tilburg zijn aanzienlijk toegenomen: van 34,6 miljoen in 2020 naar 40,8 miljoen in 2023. Per hoofd van de bevolking steeg het bedrag van 157 euro naar 179 euro, waarmee de gemeente een derde positie inneemt in BrabantStad. Twee culturele instellingen in Tilburg zijn opgenomen in de landelijke BIS, daarnaast ontvangen twaalf Tilburgse organisaties meerjarige subsidies vanuit de Rijkscultuurfondsen.
Geldstromen bij culturele organisaties
In geldstromen bij culturele organisaties brengen we de financiële ontwikkeling van culturele instellingen in Tilburg in kaart voor de periode 2019–2024, van eigen inkomsten en subsidies tot uitgaven en eigen verdienvermogen. De gegevens zijn afkomstig uit jaarrekeningen, ontvangen van de gemeente zelf, en uitgesplitst naar deelsector: producenten podiumkunsten, visuele kunsten, festivals,
We hebben voor de periode 2019-2024 gegevens over inkomsten, subsidies en lasten ontvangen van 42 culturele instellingen uit Tilburg. In dit gemeenteprofiel leggen we de focus op de ontwikkelingen tussen 2019 en 2024. Hierdoor krijgen we inzicht in de veranderingen in het ‘kasboek’ van de culturele instellingen in de afgelopen zes jaar. We maken
Eigen inkomsten
In 2024 bedragen de totale eigen inkomsten van de Tilburgse culturele instellingen 43,4 miljoen euro. Van dit totaalbedrag is 30,7 miljoen euro (71%) uit publieksinkomsten afkomstig. Dit is een stijging van ruim 10 miljoen ten opzichte van 2019: toen was er 32,7 miljoen euro aan eigen inkomsten, waarvan 24,4 miljoen euro aan publieksinkomsten (75%). De totale eigen inkomsten, en daarbinnen de publieksinkomsten, zijn dus behoorlijk gestegen. Het aandeel van de totale inkomsten dat vanuit publieksinkomsten komt, is echter licht gedaald. Het aandeel aan sponsoring in de totale eigen inkomsten is bescheiden en gedaald: van 719.000 euro in 2019 (2%) naar 349.000 euro in 2024 (0,3% van de totale eigen inkomsten).
De forse stijging aan totale eigen inkomsten sinds de coronajaren lijkt vooral terug te voeren op de poppodia (013 en Hall of Fame) en de bibliotheken/centra voor de kunsten. In 2024 genereerden de poppodia 17,5 miljoen euro aan eigen inkomsten, wat een stijging van ruim 8 miljoen euro is ten opzichte van 2019. In 2024 zijn 40% van álle eigen inkomsten afkomstig van de poppodia. De bibliotheken/centra voor de kunsten hebben in 2024 7,8 miljoen euro aan eigen inkomsten, wat een forse stijging is vanaf de 4,2 miljoen euro die zij in 2019 aan eigen inkomsten verworven.
Ook de podia (excl. poppodia) hebben de laatste jaren hogere eigen inkomsten: van 5,5 miljoen euro in 2019 naar 6,2 miljoen euro in 2024. Hier staat tegenover dat de festivals, na het vertrek van Woo Hah!, minder eigen inkomsten genereren. Waar dit in 2019 nog 8,9 miljoen euro aan eigen inkomsten was, loopt dat vervolgens terug naar 1,8 miljoen euro in 2024. Ook de visuele kunsten kampen met teruglopende inkomsten: van 346.000 euro in 2019, naar nog geen 122.000 euro in 2024.
Op het vlak van de eigen inkomsten, zoomen we tot slot in op hoeveel van de eigen inkomsten uit publieksinkomsten afkomstig zijn. We bekijken dit per domein. Onder publieksinkomsten vallen inkomsten zoals kaartverkoop/recettes, inkomsten uit horeca, en andere inkomsten die direct met publiek te maken hebben. Onder de 42 Tilburgse instellingen zien we hierbij dat in 2024 de publieksinkomsten 71% van de eigen inkomsten zijn. In 2019 was dit nog 75%: dit Tilburgse totaal is dus gedaald. De poppodia zijn hierbij opvallend: bij hen zijn in 2024 de publieksinkomsten 93% van hun eigen inkomsten, waar dit in 2019 nog 84% was. Ook bij de podia (excl. poppodia), producenten van podiumkunsten, letteren en visuele kunsten zien we een stijging in hoeveel van de eigen inkomsten vanuit publieksinkomsten komen. Bij de festivals, musea, en de centra voor de kunsten/bibliotheek liep deze verhouding echter wat terug in diezelfde jaren.
Subsidies
In 2024 ontvangen de 42 Tilburgse culturele instellingen samen 45,1 miljoen euro subsidie. Dit is een behoorlijke toename: in 2019 was dit nog 30,6 miljoen euro. De subsidies komen voor het grootste deel van de gemeente, maar het aandeel van de gemeente neemt af. In 2024 was 34,2 miljoen euro afkomstig van de gemeente, dit was 76% van de totale subsidies. In 2019 was dit nog 24,9 miljoen euro, en dat was toen 82% van alle ontvangen subsidies. Andere subsidiebronnen hebben een groter aandeel in de totale subsidies gekregen, met name vanuit de rijkscultuurfondsen en het Rijk (de BIS). Per 2021 is naast het Zuidelijk Toneel ook Stichting Mommerskwartier/TextielLab onderdeel van de BIS geworden.
Vervolgens zoomen we in op hoe het totale subsidiebedrag verdeeld is over de verschillende domeinen. De bibliotheken/centra voor de kunsten, de podia (excl. poppodia) en de musea hebben grote aandelen in de totale subsidies die in Tilburg omgaan. Voor de bibliotheken/centra voor de kunsten is dat in 2024 17,5 miljoen euro – een stijging van 7 miljoen ten opzichte van 2019. Ook bij de podia (excl. poppodia) is dit bedrag gestegen: van 6,2 miljoen euro aan totale subsidies in 2019, naar 7,8 miljoen euro in 2024.
Er zijn echter behoorlijke verschillen tussen domeinen in de omvang van de totale subsidies. Zo ontvangen de visuele kunsten, de festivals en de letteren relatief weinig subsidies. Dit betreft zo’n 640.000 euro op jaarbasis voor visuele kunsten, 775.000 euro voor festivals en 260.000 euro voor letteren. Opvallend is hierbij dat de gemeente deze genoemde domeinen relatief minder subsidieert. Binnen deze domeinen komen de subsidies vooral van andere geldverstrekkers.
Tot slot kijken we hoe groot het deel van de gemeentesubsidie is binnen het totaal aan ontvangen subsidies. De gemeente Tilburg is bij een aantal domeinen verreweg de belangrijkste subsidieverlener. Het aandeel gemeentesubsidies op de totale ontvangen subsidies is bij podia (excl. poppodia) en bibliotheken/centra voor de kunsten meer dan 80%, en soms 95%. Bij de podia (excl. poppodia) was er wel een duidelijke coronadip in 2020, toen 79% van de subsidies in deze sector van de gemeente kwam. Bij de
Er zijn ook domeinen waarbij de gemeentelijke subsidies minder dominant zijn in de financieringsmix. De producenten van podiumkunsten, de festivals en visuele kunsten ontvangen een relatief laag en zo goed als onveranderd aandeel gemeentesubsidies: respectievelijk rond de 20% van hun totale subsidieinkomsten voor festivals en producenten van podiumkunsten, en rond de 40% voor de visuele kunsten. Bij de musea is het aandeel aan gemeentesubsidies gedaald naar van 92% in 2019 naar 80% in 2024. Dit komt waarschijnlijk doordat Textielmuseum/Mommerskwartier in recente jaren ook gelden uit andere subsidiebronnen heeft, in het bijzonder als Ontwikkelinstelling in de BIS. Ook bij de Tilburgse bibliotheken/centra voor de kunsten is het aandeel van de gemeentesubsidies in de totale subsidies gedaald: van 97% in 2019 naar 90% in 2024. Dat terwijl de omvang van de gemeentesubsidies voor deze sector stijgt: van 10,6 miljoen euro in 2019, naar 15,8 miljoen euro in 2024. Waarschijnlijk heeft vooral de bibliotheek, gegeven de toegenomen wettelijke taken, ook meer subsidiegeld uit andere bronnen kunnen werven. Daardoor is de verhouding tussen de verschillende subsidiebronnen wat veranderd.
Tot slot, bij de letteren is het aandeel gemeentesubsidies op de totale subsidieinkomsten behoorlijk stabiel, bijna 40%. In de jaren 2023 en 2024 kreeg Tilt weer subsidiegeld van het Letterenfonds, en daarmee daalde het aandeel gemeentesubsidies op het totaal aan subsidies voor deze sector.
Lasten
In 2024 zijn de totale lasten van de Tilburgse instellingen 88,6 miljoen euro. Hiervan gaat 49% (43,6 miljoen euro) op aan personele lasten. Dit is een stijging ten opzichte van 2019. Toen waren de totale lasten net iets minder dan 58 miljoen euro, waarvan 31,3 miljoen euro personeelslasten (54%). De totale lasten zijn daarmee in die periode met 30 miljoen euro gestegen. De personele lasten stegen mee, maar verhoudingsgewijs stegen de andere kostenposten harder tussen 2019 en 2024. Het aandeel personele lasten op de totale uitgaven daalde daardoor van 54% in 2019 naar 49% in 2024. Vooral bij de bibliotheken/centra voor de kunsten en bij de poppodia zien we de gestegen totale lasten terugkomen.
Deze ontwikkelingen in de uitgaven verschillen tussen domeinen. Bij de visuele kunsten is het aandeel personele lasten in de totale lasten gestegen van 25% in 2019 naar 41% in 2024. Dit is opvallend, want de totale lasten daalden in die periode: van 1,1 miljoen in 2019 naar 680.000 in 2024. Dat er in 2024 verhoudingsgewijs meer personele lasten zijn, komt doordat de totale lasten dalen, maar de personele lasten relatief gelijk blijven, c.q. een groter aandeel van het totaal innemen. Deze stijging zal waarschijnlijk te maken met de relatief hogere kosten voor eerlijke beloning, iets dat in deze sector extra vroeg aandacht heeft gekregen na het instellen van honoreringsrichtlijnen.
Bij de poppodia daalde het aandeel personeelslasten op de totale lasten juist, van 56% in 2019 naar 31% in 2024. Het lijkt erop dat de kosten die niet met personeel te maken hebben, sterker gestegen zijn dan de personele lasten. De personele lasten stijgen licht, terwijl de totale lasten flink stijgen. We zien deze trend ook bij de podia: sterk stijgende totale lasten (van 8 naar ruim 14 miljoen euro, 176%) en licht stijgende personele lasten (van 4 naar 5 miljoen euro, 127%).
Bij de bibliotheken/centra voor de kunsten stijgen de personeelslasten flink (van 9 miljoen in 2019 naar 15 miljoen in 2024), maar ook de totale lasten stijgen aanzienlijk (van 14,5 miljoen euro in 2019 naar 25,6 miljoen euro in 2024). Hierdoor blijft deze verhouding nagenoeg gelijk (ongeveer 61% in beide jaren). Dat geldt ook voor de musea (56% personele lasten op jaarbasis) en de producenten van podiumkunsten (62% personele lasten per jaar). Bij de festivals dalen zowel de totale als de personele lasten (steeds rond de 46% personele lasten per jaar).
Verhouding eigen inkomsten en subsidies
Tot slot analyseren we de verhouding tussen de eigen inkomsten die de culturele instellingen hebben verworven, en de hoeveelheid subsidies die zij ontvangen. Dit geeft inzicht in de financieringsmix in de Tilburgse culturele sector. In de totale Tilburgse culturele sector maken de eigen inkomsten in 2024 96% uit van de ontvangen subsidies. Dit betekent dat de Tilburgse instellingen voor elke euro aan ontvangen subsidie, zelf 96 eurocent aan eigen inkomsten genereren. Dit is minder dan in 2019: toen lag dit nog op 1,07 euro aan eigen inkomsten. Waar destijds de instellingen méér eigen inkomsten hadden dan zij aan subsidies ontvingen, is dit in 2024 dus niet meer het geval. Dit is te verklaren door ontwikkelingen in een aantal specifieke domeinen.
Vooral de festivals en de poppodia verdienen meer aan eigen inkomsten dan ze aan subsidie krijgen. Hierbij zijn met name de ontwikkelingen in het Tilburgse festivallandschap van belang. In 2019 was het eigen verdienvermogen in de festivalsector namelijk bijzonder hoog: dit was 1819% aan eigen inkomsten, vergeleken met de ontvangen subsidies. In zes jaar tijd daalde dit naar 20% in 2024. Het dient nogmaals genoemd te worden dat het succes van Woo Hah! in de pre-coronajaren hoofdzakelijk het beeld bepaalt: in 2019 werd er bij de festivals 18,19 euro zelf verdiend tegenover elke euro subsidie en in 2024 2,08 euro.
Bij de poppodia zien we over de afgelopen jaren een stijging: in 2019 werd 5,64 euro aan eigen inkomsten verdiend op iedere euro subsidie, wat na wat fluctuaties steeg naar 6,86 euro per euro subsidie in 2024. De verdiensten zijn in Tilburg behoorlijk hoger dan in andere BrabantStad-gemeenten. Ook de musea verdienen steeds meer zelf: in 2019 bedroegen de eigen inkomsten 52% van het ontvangen subsidiebedrag, en dat stijgt naar 83% in 2024. Ook bij de bibliotheken/centra voor de kunsten stijgt de ratio eigen inkomsten op de ontvangen subsidies in de afgelopen jaren: van 39% in 2019 naar 45% in 2024.
Bij de podia (excl. poppodia) zien we een daling tussen 2019 en 2024, met enige fluctuaties in de tussenliggende jaren. Uiteindelijk bedroegen in 2024 hun eigen inkomsten 80% (of 80 eurocent) van de ontvangen subsidies, waar dit 89% was in 2019. Bij de visuele kunsten daalt het aandeel eigen inkomsten op de ontvangen subsidies sterker: van 53% in 2019, naar 22% in 2024. Bij de producenten van podiumkunsten is het stabiel, zo rond de 32%. In dit domein wordt dus 32 eurocent aan eigen inkomsten gegenereerd voor elke euro aan ontvangen subsidies.
Werkgelegenheid en bedrijvigheid
Deze paragraaf brengt de werkgelegenheid en bedrijvigheid in de Tilburgse creatieve sector in beeld. Er wordt gekeken naar bedrijfsvestigingen, werknemers en zzp’ers. De cijfers zijn gebaseerd op CBS microdata-bestanden. De creatieve sector is opgedeeld in drie subsectoren:
- Kunsten en cultureel erfgoed (KCE): o.a. podia, musea, monumenten, en producenten van podiumkunsten;
- Media en entertainment (ME): o.a. filmmakers, fotografen, bioscopen, uitgeverijen, en pretparken;
- Creatief zakelijke dienstverlening (CZD): o.a. architecten, ontwerpers, en reclamebureaus.
Bedrijvigheid
In Tilburg telde de creatieve sector in 2024 3.160 bedrijfsvestigingen, oftewel 13,7 per 1.000 inwoners. Dit is 14% van het totaal aantal bedrijfsvestigingen in alle sectoren in de gemeente. Van deze vestigingen valt 51% binnen de subsector KCE, 32% binnen CZD en 17% binnen ME. Hiermee heeft Tilburg, vergeleken met de andere BrabantStad-gemeenten, met enige afstand het hoogste aandeel bedrijfsvestigingen in de subsector KCE.
Het totaal aantal bedrijfsvestigingen in de creatieve sector in Tilburg steeg tussen 2017 en 2024 met 42%, daarmee ligt de groei boven het provinciale gemiddelde van 38%. Voor de subsector KCE bedroeg de groei in deze periode 34%, resulterend in 7,0 vestigingen per 1.000 inwoners in 2024. Dit is bijna twee keer zo hoog als het Brabantse gemiddelde van 3,9 bedrijfsvestigingen in KCE per 1.000 inwoners. Daarmee ligt Tilburg zowel voor de totale creatieve sector als voor KCE ruim boven het provinciale gemiddelde.
Zelfstandigen
Tilburg telde in 2024 2.210 zzp’ers in de creatieve sector, wat neerkomt op 9,6 zzp’ers per 1.000 inwoners. De grootste subsector is KCE met 52% van de zelfstandigen, gevolgd door CZD met 31%. Mannen vormen een meerderheid met 1.250, tegenover 960 vrouwen. 40% van de creatieve zzp’ers is jonger dan 35 jaar; binnen KCE ligt dit zelfs iets hoger op 41%. Van de BrabantStad-gemeenten heeft Tilburg relatief gezien meer jonge zzp’ers.
De groei van het aantal zzp’ers in de Tilburgse creatieve sector overtreft het provinciale gemiddelde van 16%: tussen 2017 en 2024 steeg het aantal met 19%, tussen 2020 en 2024 met 12%. Qua dichtheid presteert de gemeente eveneens sterk: met 9,6 zzp’ers per 1.000 inwoners ligt Tilburg boven het provinciale gemiddelde van 7,1. Voor KCE is dit verschil nog groter: met 5,0 zzp’ers per 1.000 inwoners steekt Tilburg ruim uit boven het Brabantse gemiddelde van 2,9.
Werkgelegenheid
In 2024 zijn er in Tilburg 2.210 banen in de creatieve sector, dat is 9,6 banen per 1.000 inwoners. Dit is gelijk aan het aantal zzp’ers in de creatieve sector. Bijna de helft (48%) van de banen in de creatieve sector valt in de subsector KCE, gevolgd door 28% in de subsector ME en 25% in de subsector CZD. Tussen 2017 en 2024 is het aantal banen in de creatieve sector met 26% gestegen. In de subsector KCE is dit aantal stabiel, met een stijging van 1.000 banen in 2017 naar 1.050 banen in 2024. Provinciaal zien we dat 30% van de werkenden in de creatieve sector werkzaam is in de subsector KCE. De Tilburgse subsector KCE is dus relatief groter dan provinciaal. De subsector KCE steeg in Noord-Brabant tussen 2017 en 2024 met 10%. De totale creatieve sector in de provincie steeg met 11% in deze periode, dat is minder dan de stijging in Tilburg.
Er worden in 2024 meer banen ingevuld door vrouwen (53%) dan door mannen (47%) in de Tilburgse creatieve sector. Dit is tegenovergesteld aan het beeld bij de zzp’ers. Provinciaal zien we dat 51% van de banen in de creatieve sector wordt ingevuld door een vrouw, 49% door een man. Tilburg volgt hiermee grotendeels het provinciale patroon, met een licht hoger aandeel vrouwen in de creatieve sector.
Kijken we naar leeftijd, dan wordt 49% van de banen in de Tilburgse creatieve sector ingevuld door mensen jonger dan 35 jaar. Provinciaal ligt dit vergelijkbaar. Ook hier wordt de helft van de banen in de Brabantse creatieve sector in 2024 ingevuld door mensen jonger dan 35 jaar.
Kijken we naar het type contract dat verbonden is aan de banen in de Tilburgse creatieve sector in 2024, dan zien we dat 19% van de banen verbonden is aan een ‘flexcontract’ (oproep- en uitzendkrachten), tegenover 81% met een vast contract. Het provinciale beeld is hier gelijk aan.
In 2024 is 51% van de banen een contract met een omvang van 30 uur of meer, en 30% is een contract met een omvang van minder dan 20 uur. Tilburg volgt hiermee grotendeels het provinciale patroon, al ligt het aandeel grote contracten (30 uur of meer) in Tilburg iets lager dan gemiddeld in Brabant.
Bronnen
- Gemeente Tilburg, Kunst- en cultuurplan 2025-2028
- Gemeente Tilburg, Samenvatting Inwonersenquête 2024
- CBS, Open data – Iv3
- CBS, Microdata
- Rotterdam Festivals, Culturele Doelgroepenmodel
Meer weten?
Bekijk het dashboard om meer te weten te komen over de Brabantse gemeenten.
Wat zijn de verhalen achter de cijfers? Op Kunstloc Brabant vind je interviews met de mensen uit de culturele sector.
De onderzoeksverantwoording gaat uitgebreid in op de gebruikte data en onderzoeksmethoden.
Tilburg in de Waarde van cultuur 2024