Eindhoven

Gemeente

In dit gemeenteprofiel bekijken we hoe Eindhoven zich verhoudt tot andere grote steden in Noord-Brabant en tot de provincie als geheel. We starten met een schets van het gemeentelijk cultuurbeleid. Binnen het cultureel kapitaal beschrijven we de bereikbaarheid van culturele voorzieningen en de aanwezige cultuurlocaties. Het sociaal kapitaal geeft inzicht in de verschillende culturele doelgroepen en bevat een verwijzing naar de inwonersenquête. Het economisch kapitaal gaat in op de cultuuruitgaven, de geldstromen binnen de culturele organisaties en de werkgelegenheid en bedrijvigheid in de culturele sector.

Een kaart toont de verdeling van cultuurlocaties in Eindhoven, met een duidelijke clustering in de wijken Centrum, Ous-Strijp en Putten.

84 ateliers

16,6% Startende Cultuurspeurders

vs. 6,4% in Noord-Brabant

14,9 creatieve bedrijven per 1.000 inwoners

vs. 9,9 in Noord-Brabant

Samenvatting

Eindhoven heeft een uitgesproken grootstedelijk cultuurprofiel, met relatief veel multidisciplinaire locaties en musea, en het grootste aantal ateliers van BrabantStad. Wel is het aandeel open ateliers er lager dan gemiddeld. Musea en podiumkunstlocaties liggen relatief dicht bij de inwoners, maar bibliotheken zijn juist verder weg dan in andere BrabantStad-gemeenten. De meeste cultuurlocaties zijn niet-gesubsidieerd, een groter aandeel dan gemiddeld in BrabantStad. Eindhoven kent relatief veel huishoudens met jonge doelgroepen, terwijl intensieve cultuurliefhebbers ondervertegenwoordigd zijn.

Financieel is het beeld gemengd. De eigen inkomsten van culturele instellingen zijn gestegen, vooral doordat de inkomsten van de podia stegen. Het aandeel publieksinkomsten daarbinnen is juist gedaald. Ook de hoeveelheid ontvangen subsidie is gegroeid, met naast de gemeente ook het Rijk als opvallend grote financier, met name via Philzuid. Het eigen verdienvermogen is per saldo afgenomen, al verdienen de musea, poppodia en podia nog altijd meer aan eigen inkomsten dan ze aan subsidie ontvangen. De gemeentelijke cultuuruitgaven zijn gestegen en zijn de hoogste van de provincie, wat past bij de grootste stad van Brabant.

Op het gebied van bedrijvigheid en werkgelegenheid is de Eindhovense creatieve sector de grootste van BrabantStad. Zowel in omvang als in concentratie, met een dichtheid ruim boven het provinciaal gemiddelde. Wel blijft de groei van zzp’ers wat achter, vergeleken met het provinciale beeld. Vergeleken met de andere BrabantStad-gemeenten is de subsector creatief zakelijke dienstverlening in de designstad groter dan elders.

Gemeentelijk cultuurbeleid

De Cultuurbrief 2025-2028: Versterken, verbreden, verbinden sluit aan op het bestuursakkoord 2022-2026 van de gemeente Eindhoven. De stad werkt met het concept van de ‘culturele loopbaan’ op drie niveaus. Binnen elke loopbaan staan een aantal doelstellingen centraal.

A. Loopbaan van de culturele sector.
Een sterke, toekomstbestendige culturele sector ontwikkelen door verdere professionalisering, het versterken van de positie van makers en het stimuleren van samenwerking en kruisbestuiving.

B. Loopbaan inwoners.
Cultuureducatie verstevigen en verbinden met activiteiten buiten school, een breed en laagdrempelig aanbod realiseren in de wijken, actieve cultuurbeoefening bij inwoners stimuleren en cultuur bereikbaar en herkenbaar maken voor alle inwoners.

C. Loopbaan stad.
Het uitbreiden van fysieke culturele plekken, de zichtbaarheid van cultuur in de openbare ruimte vergroten en de verbinding van cultuur en maatschappelijke domeinen en vraagstukken stimuleren.

Cultureel kapitaal

Het cultureel kapitaal gaat over de eigenstandige waarde en dynamiek van de culturele sector. Het gaat hier vooral over de meer ‘tastbare’ kant van het cultureel kapitaal. In het gemeenteprofiel wordt er gekeken naar de culturele infrastructuur van Eindhoven en de Eindhovense cultuurlocaties inclusief eventuele subsidierelaties.

Culturele infrastructuur

We presenteren de cijfers uit de benchmark die tot op gemeenteniveau beschikbaar zijn. Dat zijn de nabijheid van culturele voorzieningen voor inwoners van de gemeente, de vestigingen en servicepunten van bibliotheken en locaties van bioscopen en/of filmhuizen.

De gemeente Eindhoven heeft minder bibliotheekvestigingen dan andere gemeenten in BrabantStad. Omgerekend naar hoofd van de bevolking is dat 0,4 vestigingen per 100.000 inwoners, tegenover het gemiddelde in BrabantStad van 1,8 vestigingen per 100.000 inwoners. Gemiddeld moeten de inwoners van Eindhoven 3,1 km afleggen om bij de bibliotheekvestiging te komen, alleen in ’s-Hertogenbosch moeten inwoners verder reizen. Naast de hoofdvestiging zijn er in 2023 in de gemeente ook 10 afhaalpunten.

In Eindhoven is de gemiddelde afstand tot een museum met 2,9 km relatief klein in vergelijking met andere BrabantStad-gemeenten (alleen Helmond heeft een vergelijkbare afstand). Ook locaties voor podiumkunsten (2,9 km) en poppodia (3,6 km) zijn relatief dichterbij dan in andere BrabantStad-gemeenten.

De VNBF telt vier bioscopen/filmhuizen met een totaal van 28 doeken. Dat is tussen 2022 en 2025 gelijk gebleven. Wel nam de capaciteit af van 4621 zitplaatsen in 2022 (1,9 per 1000 inwoners) naar 3.564 zitplaatsen in 2025 (1,4 per 1000 inwoners). Daarmee daalt de gemeente van de eerste naar de vierde plek in de BrabantStad-ranking. Het aantal bezoeken en daarmee de recettes namen wel toe: van 786.000 bezoeken in 2022 naar 886.000 bezoeken in 2025. Daarmee behoudt Eindhoven de tweede positie in BrabantStad en de vijfde positie op landelijk niveau.

Cultuurlocaties en subsidierelatie

In het onderdeel Cultuurlocaties schetsen we een beeld van de cultuurlocaties in Eindhoven, zowel gesubsidieerd als niet-gesubsidieerd. We kijken naar de verdeling over disciplines als beeldende kunst, muziek en podiumkunsten, en naar de verhouding tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde locaties. Waar relevant vergelijken we Eindhoven met het BrabantStad-beeld. Deze editie komen voor het eerst ook de ateliers als losse categorie aan bod.

De gemeente Eindhoven kent 123 cultuurlocaties. 12% hiervan (15 locaties) zijn multidisciplinaire locaties. Daarmee heeft de stad verhoudingsgewijs meer van dit soort plekken dan in BrabantStad als geheel (9%). Voorbeelden hiervan zijn Pand P, Natlab, het Muziekgebouw en ’t Stadspaviljoen.

Daarnaast kent Eindhoven met 16% ook een groter aandeel musea dan BrabantStad (14%). Voorbeelden zijn het Next Nature Museum, het PSV Museum en het Van Abbemuseum. Bij de overige disciplines geldt het omgekeerde: Eindhoven heeft een iets minder groot aandeel cultuurlocaties dan in BrabantStad. Enkele voorbeelden van cultuurlocaties in de andere disciplines zijn het Berkenhuisje (beeldende kunst), de Effenaar (muziek) en het Parktheater (podiumkunsten).

DomeinBrabantStadEindhoven
Beeldende kunst33%32%exclusief ateliers
Musea14%16%
Muziek17%15%
Podiumkunsten16%14%
Multifunctionele locatie9%12%
Film8%7%
Bibliotheek4%3%exclusief afhaal- of servicepunten
Totaal100%100%

Gesubsidieerd vs. niet-gesubsidieerd

Van de cultuurlocaties is 77% niet-gesubsidieerd. Dit is iets hoger dan BrabantStad in totaal. De meeste niet-gesubsidieerde locaties zijn plekken voor beeldende kunst, gevolgd door musea en locaties voor muziek. Eindhoven kent 15 multifunctionele locaties, waarvan 33% gesubsidieerd en 67% niet-gesubsidieerd. Voorbeelden hiervan zijn Pand P en TAC (met subsidie) en KEVN (Kelderman En van Noort) (zonder subsidie).

Eindhoven heeft relatief meer niet-gesubsidieerde museumlocaties (zoals het DAF Museum en het Leefmuseum Eindhoven) en meer niet-gesubsidieerde locaties voor beeldende kunst dan BrabantStad. Op muziek na kent de gemeente op alle disciplines relatief meer niet-gesubsidieerde locaties dan BrabantStad als geheel. Voorbeelden van bekende niet-gesubsidieerde muzieklocaties zijn Klokgebouw Cultuurhallen en Stage Music Café.

Data downloaden uit deze grafiek?

Ateliers

Deze editie nemen we ook ateliers mee, zowel open als gesloten. BrabantStad telt in totaal 370 ateliers/maakplaatsen, waarvan 72% open is. Met 84 ateliers heeft Eindhoven het grootste aantal ateliers van BrabantStad, waarvan 65% open is. Dat aandeel ligt onder het BrabantStad-gemiddelde van 72%. Voorbeelden van open ateliers zijn Art Eindhoven en Atelier Zoë. Voorbeelden van gesloten ateliers zijn Dian van Vught en Atelier De Olifant.

Data downloaden uit deze grafiek?

Sociaal kapitaal

Het sociaal kapitaal gaat over de maatschappelijke betekenis van kunst en cultuur: de waarde van kunst, cultuur en erfgoed voor het individu en voor de gemeenschap. In dit gemeenteprofiel wordt er verwezen naar de Eindhovense inwonersenquête, waar cultuur onderdeel van uitmaakt. Ook worden de culturele doelgroepen in Eindhoven beschreven.

Inwonersenquête

Om te weten te komen wat de inwoners van Eindhoven van hun stad en buurt vinden, vraagt de gemeente Eindhoven een grote groep Eindhovenaren jaarlijks hun mening te geven over diverse onderwerpen (o.a. sportdeelname, milieu, veiligheid, openbare ruimte en cultuur). Onderdeel ervan is een cultuurmonitor.

De waardering voor (de diversiteit van) het cultureel aanbod in Eindhoven is volgens de Cultuurmonitor 2025 al een aantal jaar stabiel, inwoners beoordelen dit met een 7,2. Het afgelopen jaar (2025) heeft 83% van de Eindhovenaren minstens één culturele activiteit bezocht. Dat is vergelijkbaar met het percentage vóór corona (82% in 2019). 67% van de inwoners heeft een Eindhovense culturele instelling bezocht en 49% een Eindhovens festival. Het meest bezocht zijn Glow, het Parktheater en Muziekgebouw Eindhoven. 42% van de Eindhovenaren is zelf cultureel actief. Dat is minder dan in 2024 (47%).

Ook is er in 2025 een enquête uitgezet over sport- en cultuurparticipatie onder jongeren. Volgens dit onderzoek doet 65% van de kinderen en jongeren aan culturele activiteiten. Zij doen vooral aan tekenen, schilderen en grafisch werk zonder de computer. 30% van de kinderen en jongeren heeft les in culturele activiteiten, meestal in het bespelen van een instrument.

Culturele doelgroepen

Om meer zicht te krijgen op verschillende publieksgroepen maken we gebruik van het Culturele Doelgroepenmodel van Rotterdam Festivals. Dit model deelt huishoudens in verschillende publieksgroepen in op basis van hun cultuurgedrag, leefstijl en sociaal-demografische kenmerken.

Eindhoven heeft een uitgesproken grootstedelijk publieksprofiel dat afwijkt van de andere Brabantse steden. De jonge doelgroep van de Startende Cultuurspeurders (16,6%) vormt hier de grootste groep. Ook de Flanerende Plezierzoekers (14,5%) zijn sterk vertegenwoordigd. De Proevende Buitenwijker (14,3%) is eveneens een substantiële groep, vergelijkbaar met ’s-Hertogenbosch en Breda.

Tegelijkertijd zijn de oudere doelgroepen met een intensief cultuurgebruik minder prominent aanwezig. Het aandeel Weelderige Cultuurminnaars (2,8%) en Klassieke Cultuurliefhebbers (9,4%) ligt relatief laag. Daar staat tegenover dat de Culturele Alleseters (6,7%) en Sociale Cultuurhoppers (11,1%) licht oververtegenwoordigd zijn.

Data downloaden uit deze grafiek?
Data downloaden uit deze grafiek?

Economisch kapitaal

Het economisch kapitaal gaat in op de bedrijvigheid en financiële stromen. In dit gemeenteprofiel beschrijven we de cultuuruitgaven van de gemeente, de geldstromen van culturele organisaties in de gemeente en de werkgelegenheid en bedrijvigheid. Waar mogelijk geven we een overzicht van het aantal organisaties met financiering vanuit het Rijk.

Cultuuruitgaven gemeente

De gemeente Eindhoven geeft het meeste uit aan cultuur in de provincie Noord-Brabant. Tussen 2019 en 2023 stegen de uitgaven van 39,5 miljoen (171 euro per inwoner) naar 51,3 miljoen (211 euro per inwoner). De gemeente telt ook het meeste aantal instellingen met landelijke financiering: vijf instellingen in Eindhoven zijn opgenomen in de culturele Basisinfrastructuur (BIS), en tien instellingen krijgen meerjarige financiering vanuit de Rijkscultuurfondsen.

Geldstromen bij culturele organisaties

In geldstromen bij culturele organisaties brengen we de financiële ontwikkeling van culturele instellingen in Eindhoven in kaart voor de periode 2019–2024, van eigen inkomsten en subsidies tot uitgaven en eigen verdienvermogen. De gegevens zijn afkomstig uit jaarrekeningen, ontvangen van de gemeente zelf, en uitgesplitst naar deelsectoren: producenten podiumkunsten, visuele kunsten, festivals, musea, poppodia, podia, letteren, centra voor de kunsten en bibliotheken, en overige instellingen.

In dit gemeenteprofiel leggen we de focus op de ontwikkelingen tussen 2019 en 2024. Hierdoor krijgen we inzicht in de veranderingen in het ‘kasboek’ van de culturele instellingen in de afgelopen zes jaar. We maken geen vergelijking tussen gemeenten.

Eigen inkomsten

In 2024 bedragen de totale eigen inkomsten van de 54 Eindhovense culturele instellingen 36,6 miljoen euro. Van dit totaalbedrag is 25,4 miljoen euro (69%) uit publieksinkomsten afkomstig. Dit is een ruime stijging van 5 miljoen euro vanaf 2019: toen was er 31,4 miljoen euro aan eigen inkomsten bij de Eindhovense instellingen, waarvan 24,4 miljoen euro aan publieksinkomsten (78%). De eigen inkomsten zijn in totaal gestegen, maar de bijdrage van publieksinkomsten hieraan is relatief gezien gedaald. Het aandeel sponsoring binnen de totale eigen inkomsten ligt rond de 4 à 5% of 1,2 miljoen euro per jaar.

Data downloaden uit deze grafiek?

Vervolgens kijken we naar hoe de totale eigen inkomsten in Eindhoven over de disciplines verdeeld zijn. Vooral de podia, zoals de Eindhovense muziekzalen en theaters, nemen het grootste aandeel in de totale Eindhovense eigen inkomsten voor hun rekening. Tussen 2019 en 2024 genereerden de podia behoorlijk stabiel rond de 48% van de Eindhovense eigen inkomsten. In die periode stegen de eigen inkomsten van de podia met 3 miljoen euro, tot 18,5 miljoen euro in 2024. Ook bij de bibliotheken/centra voor de kunsten zijn de eigen inkomsten tussen 2019 en 2024 gestegen, met een piek in de coronajaren. In 2024 bedroeg dit 3,7 miljoen euro; 10% van het totaal. In 2019 was dit nog 2,8 miljoen euro.

Tenslotte bekijken we per domein welk deel van de eigen inkomsten afkomstig is uit publieksinkomsten. Publieksinkomsten zijn inkomsten zoals kaartverkoop/recettes, inkomsten uit horeca, en andere inkomsten die direct met publiek te maken hebben. In 2024 zijn in Eindhoven de publieksinkomsten 69% van de eigen inkomsten, in 2019 was dit nog 78%.

Publieksinkomsten vormen een groot aandeel van de eigen inkomsten. Bij de verschillende disciplines fluctueert dit door de jaren heen. Dat in de gemeente als geheel het aandeel publieksinkomsten toch gedaald is, lijkt te komen door twee (in financiële omvang) grote disciplines waarbij de publieksinkomsten teruggelopen zijn tussen 2019 en 2024: de podia en de bibliotheek/ centra voor de kunsten. Omdat er in deze sectoren veel geld omgaat, heeft een daling bij hen ook al snel invloed op de gemeentelijke totaalcijfers.

Subsidies

In 2024 ontvingen de Eindhovense instellingen gezamenlijk 48,5 miljoen euro subsidie en dit is een stijging van ongeveer 10 miljoen euro ten opzichte van 2019. De subsidies komen merendeels van de gemeente, wat hun belangrijke rol in de financiering van cultuur benadrukt. In 2024 was 25,1 miljoen euro van de subsidies afkomstig van de gemeente, dat is 52% van het totale ontvangen subsidiebedrag. In 2019 was dit nog 20,9 miljoen euro (54% van het totale subsidiebedrag).

Het Rijk heeft in Eindhoven een relatief groot aandeel in de totale subsidies: in 2024 was 10,7 miljoen euro (22% van het totaal) afkomstig uit de BIS. Ook in 2019 was dit bedrag 22% van het totaal: de totale ontvangen subsidies zijn meegestegen. Deze subsidie komt grotendeels terecht bij de BIS-instelling Philzuid, het symfonieorkest van Zuid-Nederland.

Data downloaden uit deze grafiek?

De producenten van podiumkunsten, de podia en de bibliotheken/centra voor de kunsten ontvangen het grootste aandeel van de subsidies. Bij de producenten van podiumkunsten bedraagt dit 14,6 miljoen euro in 2024, wat een stijging is ten opzichte van 12,5 miljoen euro in 2019. Hiervan komt een groot deel op het conto van Philzuid. Bij de podia gaat het om een totaal subsidiebedrag van 12,4 miljoen euro in 2024, dat was in 2019 nog 8,8 miljoen euro. De Eindhovense bibliotheken/centra voor de kunsten bevinden zich in een soortgelijke orde van grootte: in 2024 ontvingen zij 11,5 miljoen euro, een stijging van ruim 2 miljoen euro is sinds 2019. Mogelijk houdt dit gestegen subsidiebedrag verband met de toename van het aantal (wettelijke) taken dat de bibliotheken zijn gaan vervullen.

Tot slot kijken we per discipline, naar hoe groot het deel van de gemeentesubsidie is binnen het totaal aan ontvangen subsidies. De gemeente Eindhoven is, net als in andere gemeenten, bij een aantal disciplines verreweg de belangrijkste subsidieverlener. Het aandeel gemeentesubsidies op de totale subsidies is bij de musea, podia en bibliotheken/centra voor de kunsten in 2024 meer dan 80%, en soms bijna 100%.

Er zijn ook disciplines waarbij de gemeentelijke subsidies minder dominant zijn in de financieringsmix. Bij de visuele kunsten en de festivals is het aandeel van de gemeentesubsidies rond de 40% van de totale subsidieomvang. Voor de producenten van podiumkunsten is dit minder dan 10%. Bij deze disciplines spelen andere subsidieverstrekkers, met name de rijkscultuurfondsen, een relatief grotere rol. Bij de poppodia zien we een sterke fluctuatie: voor en na corona (2019, 2023 en 2024) is het aandeel gemeentesubsidies op bijna 95%, maar tussen 2020 en 2022 ligt dat op minder dan 50%. Dat zal verband houden met de coronasteun vanuit diverse overheden, die niet als gemeentelijke subsidie is meegerekend.

Data downloaden uit deze grafiek?

Lasten

In 2024 zijn de totale lasten van de Eindhovense instellingen 86,7 miljoen euro. 49% hiervan (42,5 miljoen euro) gaat op aan uitgaven voor personeel. De totale uitgaven in Eindhoven zijn gestegen: in 2019 waren de totale lasten nog 71,1 miljoen euro, waarvan 36,8 miljoen euro aan personeelslasten (52%). We zien een lichte daling van het aandeel personeelslasten op de totale lasten. Aangezien de personele lasten in bedrag gestegen zijn in de afgelopen zes jaar, duidt dit erop dat de overige uitgaven sterker zijn gestegen dan de personele lasten. De gestegen totale lasten zien we vooral terug bij de podia, de bibliotheken/centra voor de kunsten, en bij de producenten van podiumkunsten.

Data downloaden uit deze grafiek?

De ontwikkelingen verschillen tussen disciplines. Het aandeel personeelslasten op de totale lasten is licht gedaald bij de producenten van podiumkunsten: van 73% in 2019 naar 69% in 2024. Soortgelijke ontwikkelingen zien we bij de musea (53% aan personele lasten in 2019, 45% in 2024) en de podia (39% aan personele lasten in 2019, 31% in 2024). Bij de producenten van podiumkunsten en bij de musea zijn de personele uitgaven (in bedrag) wel gestegen, maar zijn de andere uitgaven harder gestegen. De Eindhovense podia (excl. poppodia) zijn de enige discipline waarbij de personeelslasten in bedrag zijn gedaald tussen 2019 en 2024.

Het aandeel personeelslasten op de totale lasten blijft ongeveer gelijk bij de poppodia (42% in 2019 en 43% in 2024) en de bibliotheken/centra voor de kunsten (60% in 2019 en 61% in 2024). Het aandeel personeelslasten stijgt bij de visuele kunsten. Dit houdt waarschijnlijk verband met de vroege aandacht voor ‘fair pay’ in deze sector. In de visuele kunsten zijn, eerder dan in andere culturele sectoren, scherpe honoreringsrichtlijnen geformuleerd. De totale lasten bij de visuele kunsten stijgen zodoende van 6,8 miljoen euro in 2019 naar 7,6 miljoen euro in 2024. De personele lasten stegen hierbij ook, van 2,7 miljoen euro (39% van de totale lasten) in 2019 naar 3,6 miljoen euro (48%) in 2024.

Verhouding eigen inkomsten en subsidies

Tot slot analyseren we de verhouding tussen de eigen inkomsten die de culturele instellingen hebben verworven, en de hoeveelheid subsidies die zij ontvangen. Dit geeft inzicht in de financieringsmix in de Eindhovense culturele sector. In de totale Eindhovense culturele sector maken de eigen inkomsten in 2024 76% uit van de ontvangen subsidies. Dit betekent dat de Eindhovense instellingen voor elke euro subsidie die zij ontvingen, zelf 76 eurocent aan inkomsten genereerden. Dit bedrag ligt lager dan in 2019: toen verworven de Eindhovense instellingen 82 eurocent per euro aan ontvangen subsidie.

Ook hier zien we verschillen tussen disciplines: de musea, poppodia en de podia verdienden zowel in 2019 als in 2024 meer eigen inkomsten dan ze aan subsidie ontvingen. Bij de musea is dit in 2024 1,66 euro aan eigen inkomsten per euro aan ontvangen subsidie, een stijging ten opzichte van 1,23 euro in 2019. Bij de poppodia zien we ook een stijging van 3,64 euro in 2019 naar 4,24 euro in 2024. Daarentegen zien we bij de andere podia een daling tussen 2019 en 2024. Waar er in 2024 1,50 euro per euro aan ontvangen subsidie zelf gegenereerd wordt, was dit in 2019 nog 1,77 euro.

Hiernaast zijn er disciplines waarbij de verhouding tussen subsidie en eigen inkomsten anders ligt. Bij de producenten van podiumkunsten is de rato inkomsten/subsidies gedaald van 30% in 2019 naar 22% in 2024: voor elke euro subsidie wordt 22 eurocent bijverdiend aan eigen inkomsten. Bij de festivals dalen de eigen inkomsten ten opzichte van de subsidies van 40% in 2019 naar 29% in 2024. Bij de letterensector fluctueert het aandeel eigen inkomsten sterk: van 48% in 2019, naar een iets groter aandeel in 2024: 54%. In de tussenliggende jaren vond er een behoorlijke schommeling plaats.

Data downloaden uit deze grafiek?

Samenvattend is het vermogen om eigen inkomsten te genereren bij de Eindhovense culturele instellingen afgenomen tussen 2019 en 2024, behalve bij de musea, de poppodia, de letteren en de bibliotheken/centra voor de kunsten. Daarbinnen verdienen de musea, de poppodia en de podia meer dan ze aan subsidie ontvangen.

Werkgelegenheid en bedrijvigheid

Deze paragraaf brengt de werkgelegenheid en bedrijvigheid in de Eindhovense creatieve sector in beeld. Er wordt gekeken naar bedrijfsvestigingen, werknemers en zzp’ers. De cijfers zijn gebaseerd op CBS microdata-bestanden. De creatieve sector is opgedeeld in drie subsectoren:

  • Kunsten en cultureel erfgoed (KCE): o.a. podia, musea, monumenten, en producenten van podiumkunsten;
  • Media en entertainment (ME): o.a. filmmakers, fotografen, bioscopen, uitgeverijen, en pretparken;
  • Creatief zakelijke dienstverlening (CZD): o.a. architecten, ontwerpers, en reclamebureaus.

Bedrijvigheid

In Eindhoven telde de creatieve sector in 2024 3.680 bedrijfsvestigingen, het hoogste absolute aantal van de Brabantstad-gemeenten. Dit zijn 14,9 bedrijfsvestigingen per 1.000 inwoners, oftewel 14% van alle bedrijfsvestigingen in de gemeente. Van de vestigingen valt 48% binnen CZD, 36% binnen KCE en 16% binnen ME. Dit is het hoogste percentage bedrijfsvestigingen binnen de subsector CZD van alle BrabantStad-gemeenten, en hoger dan het provinciaal gemiddelde. Dat past bij het profiel van Eindhoven als designstad, waar veel creatieve bedrijven actief zijn in vormgeving, ontwerp en andere creatief zakelijke dienstverlening.

Data downloaden uit deze grafiek?

De groei van het aantal bedrijfsvestigingen tussen 2017 en 2024 bedroeg 29% voor de creatieve sector totaal en 30% voor KCE, beiden iets onder het provinciale gemiddelde van 38%. In relatieve zin behoort Eindhoven tot de koplopers: met 14,9 vestigingen in de totale creatieve sector per 1.000 inwoners en 5,4 in KCE ligt de gemeente duidelijk boven het Brabantse gemiddelde van respectievelijk 9,9 en 3,9.

Zelfstandigen

Eindhoven telde in 2024 2.560 zzp’ers in de creatieve sector, dat zijn 10,4 zzp’ers per 1.000 inwoners. De grootste subsector is, net zoals bij de bedrijfsvestigingen, CZD met 46% van de zzp’ers, gevolgd door KCE met 38%. Mannen zijn in de meerderheid, met 1.430 mannen tegenover 1.120 vrouwen. 36% van de creatieve zzp’ers is jonger dan 35 jaar, dat geldt ook voor de subsector KCE.

De groei van het aantal zzp’ers in de totale creatieve sector bleef de afgelopen jaren achter bij het provinciale gemiddelde van 16%. Tussen 2017 en 2024 steeg het aantal in Eindhoven met 12%, tussen 2020 en 2024 met 7%. Qua dichtheid doet Eindhoven het juist beter dan Brabant als geheel: met 10,4 zzp’ers in de creatieve sector per 1.000 inwoners ligt de stad boven het provinciale gemiddelde van 7,1 zzp’ers. Datzelfde geldt voor de subsector KCE, waar Eindhoven met 3,9 zzp’ers per 1.000 inwoners uitkomt boven het Brabantse gemiddelde van 2,9 zzp’ers.

Werkgelegenheid

In 2024 zijn er in Eindhoven 3.940 banen in de creatieve sector, dat zijn 16 banen per 1.000 inwoners. Ruim een kwart (27%) van deze banen in de creatieve sector valt in de subsector KCE. Het merendeel van de banen in de creatieve sector valt in de subsector CZD (58%), de overige 15% valt in de subsector ME.

Tussen 2017 en 2024 is het aantal banen in de creatieve sector met 20% gestegen en dat is een sterkere stijging dan de provinciale stijging van 11%. In de subsector KCE is het aantal banen iets gedaald, met 5%, terwijl dit aantal provinciaal is gestegen met 11%. Provinciaal is 30% van de werkenden in de creatieve sector werkzaam in de subsector KCE, de Eindhovense subsector KCE is iets kleiner (27%).

Data downloaden uit deze grafiek?

Er worden in 2024 meer banen ingevuld door mannen (52%) dan door vrouwen (48%) in de Eindhovense creatieve sector. Dit patroon zien we ook terug bij de zzp’ers. Provinciaal zien we juist het omgekeerde beeld: 51% van de banen in de creatieve sector wordt ingevuld door vrouwen, 49% door mannen.

Kijken we naar leeftijd, dan wordt 52% van de banen in de Eindhovense creatieve sector ingevuld door mensen jonger dan 35 jaar. Provinciaal is dit beeld gelijk: ook in de Brabantse creatieve sector is de helft van de werkenden in 2024 jonger dan 35 jaar.

Data downloaden uit deze grafiek?

15% van de banen is verbonden aan een ‘flexcontract’ (oproep- en uitzendkrachten). Dit staat tegenover 85% met een vast contract. Dat is lager dan het provinciale gemiddelde, in Noord-Brabant is 19% van de contracten in de creatieve sector een ‘flexcontract’. De banen in de Eindhovense creatieve sector zijn vaker gekoppeld aan een vast contract.

In 2024 heeft bijna tweederde (65%) van de banen een contract met een omvang van 30 uur of meer, 21% heeft een omvang van minder dan 20 uur. Dat wijkt af van het provinciale beeld: 56% van de banen in de creatieve sector in Brabant heeft een contract van 30 uur of meer, terwijl 27% van de banen een contract van minder dan 20 uur omvat. In Eindhoven werken dus meer mensen in de creatieve sector met een groot contract (30 uur of meer) dan gemiddeld in Brabant, terwijl het aandeel kleine contracten (20 uur of minder) er juist lager ligt.

Data downloaden uit deze grafiek?

Meer weten?

Bekijk het dashboard om meer te weten te komen over de Brabantse gemeenten.

Wat zijn de verhalen achter de cijfers? Op Kunstloc Brabant vind je interviews met de mensen uit de culturele sector.

De onderzoeksverantwoording gaat uitgebreid in op de gebruikte data en onderzoeksmethoden.

Eindhoven in de Waarde van cultuur 2024