De Waarde van broedplaatsen: een verdieping (2020)

Kapitaal

Dit artikel verkent wat broedplaatsen zijn en welke rol zij spelen binnen de culturele infrastructuur van Brabant. Op basis van gesprekken met talenthubs, makers en initiatiefnemers ontwikkelt het een model om de betekenis en maatschappelijke waarde van broedplaatsen beter te begrijpen en te beoordelen.

16 juni 2020

Samenvatting

Dit verdiepende onderzoek laat zien dat broedplaatsen veel meer zijn dan fysieke plekken voor jonge makers. Het zijn dynamische onderdelen van de culturele infrastructuur die een belangrijke rol spelen in talentontwikkeling, professionalisering en het versterken van het culturele ecosysteem in Brabant. Op basis van gesprekken met talenthubs, broedplaatsen en gebruikers worden vijf kernfuncties onderscheiden: experimenteren, presenteren, plaats bieden, verbinden en beschermen.

Juist de samenhang tussen deze functies maakt broedplaatsen waardevol. Ze bieden makers ruimte om te experimenteren en te falen, helpen hen verbindingen te leggen met het professionele veld en bieden een beschermde omgeving waarin zij zich kunnen ontwikkelen voordat zij de stap naar de markt zetten. Broedplaatsen kunnen verschillende vormen aannemen, maar dragen gezamenlijk bij aan een sterk cultureel klimaat. Overheden spelen hierin een belangrijke rol door de randvoorwaarden en infrastructuur te faciliteren waarin deze functies kunnen floreren.

Over de functies en werking van broedplaatsen in Brabant

Inleiding

Bij een broedplaats denken we vaak aan een plek waar jonge makers zich verder kunnen ontwikkelen. Maar uit dit en ander onderzoek blijkt dat lang niet iedereen hetzelfde verstaat onder een broedplaats. Hier proberen we een beter begrip te krijgen van de functie en betekenis van broedplaatsen en hoe deze een rol spelen in het culturele ecosysteem in Brabant.

In Noord-Brabant zijn verschillende zogenaamde ‘talenthubs’ ingericht om in uiteenlopende disciplines binnen de professionele kunsten aan talentontwikkeling te werken. We hebben in drie rondes gesprekken gevoerd met initiatiefnemers, coördinatoren en gebruikers van deze talenthubs en de hieraan verbonden en hieraan verwante broedplaatsen (van muziek tot letteren, van beeldende kunst tot theater en dans). Eerst een gesprek met de coördinator talentontwikkeling (i.c. de talenthubs) van Kunstloc, dan met de coördinators van deze talenthubs en vervolgens met vertegenwoordigers van broedplaatsen die binnen en buiten deze talenthubs actief zijn in de provincie. Belangrijk was steeds het helder krijgen van wat een (goede) broedplaats is en wat de betekenis hiervan kan zijn voor kunstenaars en de wijdere omgeving.

‘Een broedplaats is een door de gemeente in bedwang gehouden broedmachine van kunstenaars en andere bohemiens, gevormd ter bevordering van de toekomstige stedelijke economie.’ Deze definitie werd in 2001 gegeven in het redactioneel van Agora, het tijdschrift voor sociaal-ruimtelijke vraagstukken.

In deze (en vele andere definities) valt meteen een aantal aspecten op. Zo is er een mate van gemeentelijk (of provinciaal) eigenaarschap over de broedplaats via financiering of het beschikbaar stellen van vastgoed. Ook wordt een vrij naar binnen gerichte beschermingsdrang gesuggereerd door de keuze voor het woord ‘broedmachine’. De beschermende rol die broedplaatsen voor gebruikers kan – of zelfs zou moeten – hebben, komt ook in meerdere gesprekken die voor dit onderzoek gevoerd zijn terug. Ten slotte wordt een economisch aspect genoemd dat met gebiedsontwikkeling samenhangt. De broedplaats dient de economische ontwikkeling in een gebied.

Er worden in de literatuur ook verschillende typen broedplaatsen onderscheiden. Bureau Buiten kwam daarbij, mede gevoed door eerder onderzoek van Mieke Verschoor, tot vier typen: innovate, interact, expose, attract. Bij het eerste type (innovate) gaat het vooral om de creatie/innovatie die makers in een broedplaats verrichten, zonder dat daarbij de omgeving een rol van betekenis speelt. Dat is anders bij het tweede type (interact) waarbij juist sociale impact centraal staat en de broedplaats een betekenis heeft voor de buurtbewoners. Bij expose is de sociale impact minder van belang en gaat het meer om een creatieve productie van de gebruikers die te consumeren is in bijvoorbeeld workshops. Als er ook externen worden aangetrokken voor wat er in de broedplaats te beleven is, spreekt Bureau Buiten van attract, waarbij het aanbod dus meer losstaat van de gebruikers binnen de broedplaats.

Het beeld dat in de literatuur bestaat van broedplaatsen verandert tussen 2001 en 2017. Er lijkt meer oog te zijn voor wat de artistieke betekenis van broedplaatsen is. Iets wat ook in onze gesprekken prominent naar voren kwam. Toch bleek de genoemde typering niet helemaal geschikt. Niet alle functies die in de gesprekken genoemd werden pasten in een van de genoemde typen. Daarom is verder ingezoomd op functies die binnen broedplaatsen in meer of mindere mate aanwezig zijn, waarbij de broedplaatsen zijn benaderd vanuit het perspectief van makers. Hierbij blijkt dat de eigenschappen van de verschillende types die Bureau Buiten omschrijft, allen een plek hebben binnen de functies die wij hierbij konden differentiëren.

Een broedplaats vatten we op als een dynamisch concept dat, afhankelijk van tijd en plaats, een eigen invulling krijgt en zo een wisselende rol speelt binnen de culturele infrastructuur. Zo wordt er niet altijd gestructureerd aan talentontwikkeling of begeleiding van de aan de broedplaats verbonden kunstenaars gedaan. Duidelijk is dat een broedplaats niet per se aan een fysieke plek verbonden hoeft te zijn. Wel kan gesteld worden dat broedplaatsen over het algemeen een gatekeeper kennen in de vorm van bijvoorbeeld een artistiek leider, zakelijk of creatief directeur of hoofd programmering en productie. Deze bewaakt de gang van zaken binnen de broedplaats.

Positie en functies

Om de functies van broedplaatsen te benaderen, is een afbakening nodig van hoe deze zich binnen een breder geheel van de culturele infrastructuur bevinden. Kijken we daarbij naar de keten die van opleiding tot gevestigde professional leidt, dan worden broedplaatsen veel gezien als brug tussen opleiding en het uitvoerende veld. We bezien hierbij broedplaatsen dan ook vanuit deze positionering waarbij gebruikers veelal aan het begin van hun carrière staan, maar waarbij wel sterke banden bestaan met het professionele veld. Vanuit de gesprekken die zijn gevoerd, zijn vijf functionele aspecten opgehaald die in onderlinge samenhang de functie vormen van wat als een broedplaats gezien kan worden: experimenteren, presenteren, plaats bieden, verbinden en beschermen.

Experimenteren

Een eerste belangrijk element van een broedplaats is de mogelijkheid tot experimenteren. Er komt vanuit alle verschillende kunstdisciplines die bevraagd zijn een duidelijk idee naar voren dat binnen een broedplaats een zekere afbakening is (in tijd, geld of ruimte) waarbinnen het mogelijk is om het experiment op te zoeken en zo het eigen werk inhoudelijk verder te brengen, ook als iets mislukt.

Presenteren

Een tweede element dat hiermee samenhangt is dat vaak ook een mogelijkheid tot presentatie van uitkomsten van deze experimenten aanwezig is. Deze presentatiemogelijkheid kan overigens ook deel uitmaken van het experiment door geen uitkomsten te presenteren maar juist in de presentatie het experiment op te zoeken en uit te bouwen.

Plaats bieden

Het bieden van plaats is een derde element dat tot de functie van een broedplaats gerekend kan worden. Dit hoeft overigens niet per se een plek te zijn die op lange termijn blijft bestaan. Wel wordt duidelijk dat het prettig is als er binnen een stad of eventueel de provincie meerdere mogelijkheden worden geboden. Daarbij kan gedacht worden aan plekken die voor een korte periode 24 uur per dag beschikbaar zijn, plekken die juist over een langere periode incidenteel beschikbaar zijn, of bijvoorbeeld plekken waar meerdere makers elkaar kunnen ontmoeten. Ook het faciliteren van een niet-fysieke plaats is daarbij een mogelijkheid.

Verbinden

Het creëren van verbinding is dan ook het vierde element dat het functioneren van een broedplaats lijkt te bepalen. Hierbij gaat het om uitwisseling tussen makers zelf, maar misschien nog belangrijker is het verbinden van de makers met het professionele veld. ‘Wat we willen bereiken gaat pas werken als de verbindingen snel zijn, maar het duurt vrij lang en kost veel energie om de juiste mensen te kennen zodat je ook echt een gesprekspartner bent.’ Soms krijgt deze verbinding vorm in een soort ‘meester/gezel’-achtige constructie waarbij jonge kunstenaars de kans krijgen om kunst te maken onder begeleiding van of samen met een meer ervaren kunstenaar. Het verbinden met buurt, wijk, stad kreeg in de gesprekken weinig aandacht, c.q. leek ook minder prioriteit te hebben.

Beschermen

Uiteindelijk is de beschermende kant van broedplaatsen het vijfde en laatste element. Hierin werken alle andere elementen samen. Dit is het punt waarop broedplaatsen zich lijken te onderscheiden van commerciële partijen die bijvoorbeeld ateliers verhuren of presentatieplekken aanbieden. Er worden organisatorische taken bij makers uit handen genomen om te voorkomen dat zij hierin verdrinken op het moment in hun ontwikkeling dat ze zich als maker moeten gaan onderscheiden.

Werking

De werking – en daarmee de potentiële waarde – van broedplaatsen lijkt daarbij voor een groot deel te worden bepaald door de mate waarin deze functies overlappen.

Overlappende cirkels met in het midden Talentontwikkeling,  met verder de velden: 
Verbinden
 Makers onderling
Makers met professionele veld
 Fysieke springplank naar  professionalisering
Plaats bieden
 Podia op korte termijn, los van programmering
Presenteren
 Presenteren  van proces 
Experimenteren 
 Mogelijkheid tot falen
Beschermen
 Gereguleerd tempo richting professionele veld
Vijf functies van broedplaatsen en effecten van overlap zoals deze in de
gesprekken naar voren zijn gekomen

Deze overlap kan tussen verschillende van de functies bestaan, maar enkele voorbeelden kwamen in de gesprekken duidelijk naar voren. Er wordt vanuit broedplaatsen bijvoorbeeld bewust gekeken naar het juiste moment voor makers om met werk naar buiten te treden. Makers worden dus gestimuleerd om voldoende tijd te nemen om naar iets toe te werken dat klaar is om gepresenteerd te worden en daarmee ook niet te snel en te ver in het gevestigde, professionele deel van het veld te duiken, waar een commerciële logica vaak sterker werkt. ‘Bij UNSEEN worden bijvoorbeeld iedere editie 100 nieuwe talenten gepresenteerd, waarvan er maar 1 of 2 blijven hangen. Het ergste is, dat ze omhoog worden gegooid en vervolgens te pletter vallen omdat de markt zo aan ze plukt, dat ze niet de stappen kunnen zetten die ze in hun ontwikkeling zouden moeten kunnen zetten.’ Door een plaats te bieden die heldere kaders en een goed startpunt biedt, vormen broedplaatsen een goede springplank naar professionalisering.

Door een plek te faciliteren voor presentaties kunnen broedplaatsen wegblijven van de lange termijn die met programmering samenhangt. De snelheid waarmee broedplaatsen mogelijkheden bieden voor presentaties, wordt sterk gewaardeerd. Dat geldt ook voor de mogelijkheid om niet direct een eindresultaat te moeten tonen op een presentatieplek die wordt gedomineerd door ‘affe’ producten (tentoonstellingen, concerten, filmvertoningen, boekpresentaties), maar om juist in presentaties het proces te kunnen testen. Daarmee hangt samen dat het van belang is te mogen falen in de werkzaamheden die binnen broedplaatsen worden verricht. ‘Uiteindelijk gaat het erom dat je het instrument dat je opzet op termijn kunt bestendigen.’

Het gevolg daarvan is dat een broedplaats vele verschillende vormen kan hebben, mits de vijf genoemde functies daarin geborgd zijn. Residenties voor kunstenaars kunnen bijvoorbeeld ook als broedplaats gezien worden, mits daarbij ook verbindende en presenterende functies bestaan. Hoeveel plekken er zijn en de verhouding tussen de vijf functies in het geheel kunnen verschillen tussen disciplines. Voor filmmakers zou één broedplaats in de provincie Brabant voldoende kunnen zijn, terwijl voor beeldend kunstenaars bijvoorbeeld erg veel plekken beschikbaar en wenselijk zijn. Daarbij is het van belang de samenhang in het aanbod en de vervulde functies inzichtelijk te maken. Uiteindelijk wordt hierdoor ook de toegevoegde waarde voor de culturele infrastructuur zo sterk mogelijk.

Rol en verantwoordelijkheid van de overheid

Een zekere afhankelijkheid van de gemeente of provincie hangt samen met het op peil houden van de samenhang in het veld, en dus ook met het mogelijk in stand houden van een broedplaats. Om bescherming te kunnen bieden, is het nodig dat er een infrastructuur bestaat die alle vijf de elementen van broedplaatsen borgt. Het woord ‘afhankelijkheid’ roept ten onrechte het beeld op van een eenzijdig kwetsbare praktijk. Afhankelijkheid kan echter ook van toegevoegde waarde zijn wanneer die samengaat met wederzijdse verantwoordelijkheid. Overheden hebben een verantwoordelijkheid voor het faciliteren van een gezonde culturele infrastructuur en zij zijn daarbij afhankelijk van een kunstenveld dat zich actief aan de omgeving wil binden. Andersom zijn broedplaatsen op verschillende vlakken afhankelijk van welwillende overheden, maar ligt de verantwoordelijkheid van makers er ook in om zelf actief initiatief te nemen en lokale overheden bij hun initiatieven te betrekken. In het activeren van artistiek potentieel om activiteiten vorm te geven en daarbij zowel de juiste verbindingen te leggen als een gevoel van eigenaarschap te creëren, ligt een belangrijke rol voor de broedplaatsen. Dat hierbij financiering niet afdoende is, werd ook duidelijk uit het onderzoek naar de stedelijke culturele infrastructuur – ‘Waarom makers blijven’ – in Waarde van cultuur 2018. Dit beeld werd versterkt vanuit een blik op landelijke voorbeelden van broedplaatsbeleid.

Talentontwikkeling

In het Regioprofiel Brabantstad legt de programmalijn talentontwikkeling zich toe op het versterken van de innovatiekracht van de regio ‘door makers de mogelijkheid te bieden zich op artistiek en zakelijk vlak door te ontwikkelen’. De verschillende elementen die in het voorgaande zijn beschreven, sluiten aan bij de strategie die Brabantstad heeft uitgezet om talentontwikkeling binnen de provincie te stimuleren. Aandachtspunten hierin die overeenkomen met wat we in ons onderzoek naar broedplaatsen tegenkwamen, zijn met name het versterken van het culturele ecosysteem, de doorgroeimogelijkheden van talenten en de talentontwikkeling die dicht op de markt of het publiek zitten. In het stimuleren van initiatief, eigenaarschap en het leggen van verbindingen ligt een belangrijk deel van het potentieel dat broedplaatsen hebben om een rol te spelen in talentontwikkeling en de professionaliseringsslag die daarop volgt. Daarbij kan het duidelijk verschillen in welke mate een broedplaats zich bezighoudt met talentontwikkeling of zich juist in sterkere mate in het gevestigde professionele veld manifesteert. Hiermee neemt de broedplaats dan een specifieke plaats in binnen een aantrekkelijk cultureel klimaat. Binnen dit klimaat is het wel wenselijk dat er binnen het totale aanbod van broedplaatsen een goede balans bestaat.

Hiermee is een model uiteengezet waarmee broedplaatsen en de rol die deze spelen in de culturele infrastructuur, op waarde kunnen worden geschat. Het succes van dit model en daarmee het inzicht in de waarde die Brabantse broedplaatsen bieden, kan binnen een nieuwe editie van deze monitor getest worden.

Bronnen

Redactie Agora (2001) ‘Redactioneel’. In: Agora, nr. 5, 2001. P.2.

Westen, L. van der, K. Blokzijl, A. van den Berg (2017) Een bloeiende creatieve industrie in een levendige stad. De meerwaarde van creativiteit in gebiedsontwikkelingen in Utrecht. Utrecht: Bureau Buiten. Verschoor, M. (2009) Conceptontwikkeling voor creatieve broedplaatsen (master thesis), Eindhoven: TU.

De rol die een broedplaats mogelijkerwijs speelt in de ontwikkeling van de lokale economie wordt momenteel onder leiding van Bart de Zwart onderzocht door het lectoraat ‘De Ondernemende Regio’ van Fontys Hogescholen en kwam in onze gesprekken niet of nauwelijks aan de orde.

Vinken, H. en I. Diepstraten (2018) ‘Pilot B5: Culturele infrastructuur – waarom makers blijven.’ In: B. Broers, R. Brom, B. van Dalen, J. Harings, R. Smeets en H. Vinken, Waarde van cultuur 2018. De staat van de culturele sector in Noord-Brabant. Tilburg: Kunstloc.

Vinken, H. en R. Brom (2019) ‘De sociale dimensie van de culturele infrastructuur in de stad.’ In: Boekman, nr. 119, jr. 31, 48-51.