Culturele crossovers: Hoe word je samen sterker? (2018)

Kapitaal

Dit artikel verkent hoe culturele crossovers, samenwerkingen tussen kunst en cultuur en andere maatschappelijke domeinen, succesvol kunnen worden vormgegeven. Op basis van gesprekken met kunstenaars en experts, aangevuld met bestaand onderzoek, brengt het de belangrijkste voorwaarden, rollen en manieren om resultaten te evalueren in kaart.

Rogier Brom & Henk Vinken

18 juni 2018

Samenvatting

Culturele crossovers zijn samenwerkingen tussen kunst en cultuur en andere maatschappelijke domeinen, gericht op het ontwikkelen van nieuwe oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Uit gesprekken met kunstenaars en experts blijkt dat succesvolle crossovers vragen om duidelijke rolverdeling, wederzijds begrip van elkaars expertise, goede begeleiding door een kwartiermaker of matchmaker en een langetermijnvisie op samenwerking.

Het onderzoek laat zien dat de grootste uitdagingen liggen bij het opstarten van projecten, de uitvoering en het waarborgen van continuïteit. Kunstenaars nemen vaak te veel verantwoordelijkheden op zich, terwijl instellingen vooral gericht zijn op stabiliteit. Een gelijkwaardige samenwerking waarbij iedere partij vanuit de eigen expertise opereert, vergroot de kans op duurzame resultaten.

Omdat culturele crossovers sterk verschillen van elkaar, zijn vaste effectmetingen lastig. Wel bieden bestaande modellen handvatten om doelen, rollen en resultaten systematisch te beschrijven en te evalueren. Daarbij is het belangrijk om zowel de maatschappelijke opbrengsten als de artistieke waarde van het werk zichtbaar te maken.

Inleiding

Dat kunst en cultuur iets te bieden hebben aan andere domeinen is inmiddels algemeen geaccepteerd. Over wat hierbij dan geboden wordt en hoe het resultaat hiervan is te beoordelen, bestaan echter nog veel vragen. Een vorm waarin de uitwisseling tussen het culturele domein en andere domeinen concreet genoeg vorm krijgt om uitkomsten breder te kunnen beoordelen, is de culturele crossover. De definitie die hier wordt gebruikt gaat over het combineren van expertise uit verschillende sectoren, in dit geval cultuur en een andere sector. Het gaat hier niet over de specifieke kunstvorm die als crossover wordt aangeduid. De grensvervaging tussen verschillende kunstdisciplines is een andere en veel oudere discussie. In dit hoofdstuk zullen we dan ook nader ingaan op deze manier van het inzetten van verschillende expertise.

Het onderzoeksbureau DSP-groep omschrijft de term crossover als ‘nieuwe combinaties tussen vanouds gescheiden sectoren’. Wanneer hierbij cultuur wordt gecombineerd, gaat het erom dat er een nieuwe kijk op een oplossing van een maatschappelijk vraagstuk wordt bewerkstelligd. Hierbij is van belang dat het proces verder gaat dan alleen het diagnosticeren van een probleem, dat er daadwerkelijk een oplossing in zicht komt (Horst et. al. 2016, p8). Deze omschrijving van een crossover is leidend bij hoe we hier kijken naar projecten die als culturele crossover kunnen worden bestempeld. We hebben een groepsgesprek gevoerd met als hoofdvraag hoe de samenwerking tussen partijen bevallen is.

Daarbij is niet alleen de betekenis van cultuur voor het oplossen van problemen van belang, maar ook de betekenis die de samenwerking voor de kunstenaar en diens kunstpraktijk heeft. Om van een daadwerkelijke crossover te kunnen spreken moet deze voor beide partijen een zinvolle betekenis hebben. Uit het gesprek blijkt dat zich tot op dit moment eigenlijk nog geen vorm voor deze projecten heeft uitgekristalliseerd waarover alle deelnemende partijen tevreden zijn. Eerst zullen dan ook de wenselijke voorwaarden voor culturele crossover in kaart worden gebracht. Pas wanneer duidelijkheid is over een structuur die door de verschillende partijen als de best werkbare wordt ervaren, kan een beeld worden gevormd van de resultaten die hieruit volgen en hoe deze te meten zijn.

Daarbij moet wel direct worden opgemerkt dat dit hoofdstuk niet zal bestaan uit een reeks cijfers waarmee het effect van een succesvolle crossover kan worden benaderd. De vormen van samenwerken zijn niet voldoende vergelijkbaar om vanuit een vaste set indicatoren tot een vergelijking te komen. Wel lijkt het er op dat er steeds meer vruchten worden geplukt van jarenlange ervaring aan experimentele samenwerking, waardoor een meer stabiele afbakening van het begrip mogelijk wordt. Hier is ingezoomd op de vraag wat de meest waarschijnlijke vorm is waarin crossovers plaatsvinden en hoe de resultaten hiervan zijn te meten.

Kennis vanuit gesprek

Om kennis te verzamelen over de praktijk van culturele crossovers, zijn we een groepsgesprek aangegaan met meerdere kunstenaars die hiermee ervaring hebben en met experts op het gebied van het faciliteren en realiseren van community art projecten en projecten in de zorg. In het gesprek is voornamelijk ingegaan op de samenwerking tussen de verschillende partijen.

Door de uitkomsten van dit gesprek aan te vullen met onderzoek naar overkoepelende structuren van dergelijke projecten, trachten we te komen tot een zo sterk mogelijk beeld van de voorwaarden die nodig zijn voor het vormgeven van een culturele crossover.

Een handige en veel voorkomende manier om projecten in een stramien te plaatsen, is het uiteenzetten van projecten langs meerdere assen. Pascal Gielen stelt hiervoor met betrekking tot community art voor om het geheel te bezien vanuit een as die een onderscheid maakt tussen digestieve (conformerende) en subversieve (non-conformerende) vormen van kunst. De tweede as in dit stramien maakt een onderscheid tussen auto-relationele (vooral betrekking hebbend op de kunstenaar) en allo-relationele (vooral betrekking hebbend op de gemeenschap) community art-projecten (Gielen 2011, 22).

Typologie van Gielen 2011 en bijbehorende voorbeelden (Gielen 2011, 22-27).

Auto-relationeelAllo-relationeel
DigestiefArtistieke aankleding publieke ruimteKunstprojecten in gevangenissen
SubversiefHomo-erotische fotografie in AmerikaGay Pride

Groot voordeel van dit stramien is dat er duidelijkheid geboden kan worden over de rol van de verschillende partijen en de verwachtingen omtrent het doel van de crossover.

Een structuur die werkt

Voor een goede samenwerking is het belangrijk dat alle betrokken partijen op dezelfde manier in het project staan. Uit de gesprekken die voor dit onderzoek werden gevoerd blijkt dat op dit vlak wellicht de grootste uitdaging zit wanneer het gaat over culturele crossovers. Er lijkt sprake te zijn van een systeemprobleem dat de kop opsteekt in drie verschillende stadia van de projecten: bij het initiatief, bij de uitvoering en bij het onderhoud van de continuïteit.

Initiatief

Veel van de projecten lijken te starten op initiatief van de makers. De makers in het gesprek geven aan de taak van de kunstenaar te verstaan als het overal zien van mogelijkheden. Dit wordt zelfs als deel van hun identiteit gezien. Zij zijn dan ook overwegend de partij die met een plan komt voor een nieuw project. Wel wordt hierbij erkend dat dit vaak ontregelende karakter van de makerspraktijk op gespannen voet kan staan met het verbindende karakter van instellingen. Zeker in de zorg, maar ook in andere domeinen, is het voor de instellingen van groot belang om een omgeving te creëren waarin op de structuur kan worden vertrouwd. Niet zelden wordt aangestuurd op wat Gielen digestieve projecten zou noemen. Voor een maker is de hele wereld het speelveld, terwijl organisaties sterk vanuit hun eigen organisatie en bijbehorende verantwoordelijkheden moeten denken.

Het sterkste scenario voor een nieuw initiatief zien de gesprekspartners dan ook in een situatie waarbij de experimentele expertise van de maker wordt gecombineerd met de maatschappelijke expertise van de instelling die de mores kent van de omgeving waarbinnen het initiatief moet worden gerealiseerd. Daarbij is het van groot belang dat er een persoon is die een langere tijd aanwezig is in de context, in de vorm van bijvoorbeeld een cultuuraanjager, kwartiermaker of matchmaker. Zo kunnen de juiste vragen worden gesteld en de juiste maker worden gezocht die kan bijdragen aan antwoorden op die vragen. Deze persoon kan ook duidelijk richting geven aan het project en de leiding nemen over de voortgang ervan.

Uitvoering

De artistieke drijfveren die de betrokken kunstenaars hebben, zorgen er regelmatig voor dat zij te veel taken op zich nemen om het werk maar te realiseren. De verwachting is dat kunstenaars binnen de projecten veel taken kunnen vervullen, deze verwachting bestaat bij de instellingen waarmee wordt samengewerkt, maar ook bij de kunstenaars zelf. Bij de gesprekspartners bestaat het beeld dat kunstenaars dit binnen crossovers doen omdat ze als individu tegenover een instelling staan waarbij al deze taken ook zijn ondergebracht. Om tot een gelijkwaardige positie te komen zou het voor kunstenaars als noodzaak worden gevoeld om ook een breed scala aan – vaak ondersteunende en logistieke – taken op zich te nemen. Een oplossing hierbij zou moeten zijn dat wordt uitgesproken en vastgelegd dat iedere partij de taken moet en kan uitvoeren die binnen de betreffende expertise liggen. Zo zouden er systemen voorhanden moeten zijn waarbinnen de zaken worden opgepakt die niet vallen binnen de artistieke verantwoordelijkheid.

Onderhoud van de continuïteit

Binnen de culturele crossovers wordt gezocht naar een duurzame context waarbinnen oplossingen worden gezocht die op langere termijn stand houden. Het initiatief komt daarbij, zoals eerder al aangegeven, vaak van de kunstenaars. De continuïteit kan echter beter worden gewaarborgd vanuit de instellingen binnen een domein. De ontregelende dynamiek van de kunst brengt de instellingen daarbij echter in een kwetsbare positie omdat – zeker in de gezondheidszorg – een stabiele dynamiek voor patiënten en zorgverleners vaak wenselijk is. Wanneer een probleem dus is geadresseerd en er een concrete oplossing is gevonden, bestaat daarom de kans dat er weinig animo is om structureel te blijven ontregelen om op zoek te gaan naar verrijkende oplossingen voor overige problemen. Daarbij zou een structurele post voor cultuur op de begroting van de instellingen het mogelijk maken om tot een gelijkwaardiger gesprek te komen zodat minder tijd en energie besteed hoeft te worden aan het nut en de noodzaak om een culturele crossover te starten.

Naast het systeemprobleem lijkt er ook vaak sprake van een spraakverwarring tussen de verschillende partijen. Voornamelijk de niet-culturele partijen lijken niet altijd goed in beeld te hebben wat de makers nu daadwerkelijk kunnen toevoegen. Dit betekent dat de maker sterk zijn positie moet bepalen om ook zelf iets uit het project te halen. Het verschil tussen mensen in een project creatief bezig te laten zijn en een daadwerkelijke crossover zit in het gegeven dat kunst daadwerkelijk iets aan de situatie toevoegt. Kunst kan bijdragen aan een oplossing.

Het is de maker er dan ook vooral aan gelegen om goede kunst te kunnen maken, meer dan het creatief bezig laten zijn van derden. Feitelijk vragen de kunstenaars in het gesprek meer aandacht voor wat Gielen het auto-relationele noemt; het belang van de kunstenaar. Nu is er veel aandacht voor het allo-relationele: dat wat de gemeenschap, de organisatie en diens probleem dient. Dat is, terugkijkend op het systeemprobleem, dan ook de positie die de maker vanuit de aanwezige expertise zou moeten kunnen innemen binnen een culturele crossover. De omstandigheden kunnen hierbij een rijke voedingsbodem zijn waar vanuit een kunstwerk kan worden gerealiseerd, maar het is niet zo dat met deze realisatie een bepaalde problematiek is opgelost. Daarmee zou het namelijk de verantwoordelijkheid van alleen de maker zijn om het probleem op te lossen. De verantwoordelijkheid van de maker wordt juist vooral gezien in het vinden van mogelijkheden om een probleem open te breken en daarover een goed kunstwerk te maken. Dat kunstwerk kan een object zijn, maar bijvoorbeeld ook een relationeel proces. Het is dan aan de andere partners in de crossover om hun expertise in te zetten om de opbrengsten uit dit proces om te zetten in een langdurige oplossing en dit ook te blijven begeleiden. Dat gebeurt nu nog te weinig. Er wordt ervaren dat de discussie zich nog te vaak richt op kosten en te weinig op opbrengsten en hoe deze bestendigd kunnen worden.

De ideale vorm voor een culturele crossover die uit dit groepsgesprek naar voren komt, lijkt vooral te liggen in het opstellen van een langere lijn voor het project waarbij een heldere taakverdeling bestaat die ieders expertise weet te respecteren. Vanuit een gelijkwaardige en legitieme verhouding tussen de verschillende partijen moet de communicatie een open karakter behouden. De verwachtingen moeten helder zijn. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot bestaand onderzoek op dit vlak en in welke mate deze bevindingen systematische invulling van een culturele crossover concreter kunnen maken.

Bestaande kaders

Voor de provincie Utrecht verkende de DSP-groep goede voorbeelden van culturele crossovers in Nederland. De conclusies en aanbevelingen die hieruit volgden, kregen voornamelijk de vorm van tips en aandachtspunten bij het realiseren van een culturele crossover. Een duidelijk beeld van wat op een iets hoger abstractieniveau een goede culturele crossover inhoudt en hoe deze te evalueren is, kwam niet naar voren. Ook in het groepsgesprek voor het huidige onderzoek bleek de gedeelde opvatting dat er momenteel nog geen goede vorm is gevonden voor culturele crossovers. Wel was de hoop en verwachting dat er momenteel projecten starten waarbinnen de juiste parameters zijn gesteld voor een goede samenwerking.

Hierbij bleek het voornamelijk van belang om – zoals eerder al aangegeven – de meest logische samenwerking te zoeken voor de situatie en daarin onderling de juiste verwachtingen te scheppen, te zorgen dat de manier van werken ieders expertise recht doet en een structureel proces te vormen waar de maker desgewenst op termijn uit kan stappen. In het volgende deel van dit hoofdstuk wordt dan ook gekeken naar kaders die hiervoor al bestaan om tot een aanzet te komen voor een methodische benadering die het mogelijk maakt om uitkomsten uit culturele crossovers inzichtelijk te maken.

Een project waarbij op grotere schaal is gekeken hoe projecten zijn uit te voeren waarbinnen een waardevolle rol van kunst kan worden gerealiseerd ten opzichte van andere domeinen is The Art of Impact. Het is dan ook nuttig om te kijken hoe hierbij werd omgegaan met verwachtingen, ingenomen rollen en beoogde resultaten. In de rapportage over The Art of Impact wordt duidelijk dat bij de deelnemers aan dit project de beoogde impact globaal in vier vormen kan worden verdeeld:

  1. Oplossen van een concreet vraagstuk, knelpunt of probleem.
  2. Een probleem agenderen, vergroten van begrip en acceptatie voor een vraagstuk, prikkelen van visie en verbeelding of aanzetten tot anders denken en handelen.
  3. Nieuwe kennis ontwikkelen.
  4. Verbeteren van de mogelijkheden voor kunstenaars om een zo groot mogelijke bijdrage te leveren aan maatschappelijke vraagstukken.

Uit hetzelfde rapport blijkt dat de gerealiseerde impact op vijf verschillende gebieden plaatsvindt:

  1. Sommigen deelnemers zeggen dat effecten niet zijn vast te stellen, en doen dat ook niet.
  2. Door veel deelnemers wordt impact beschreven in termen van reacties van bezoekers of van samenwerkende partijen.
  3. Soms worden output-resultaten genoemd in de vorm van bezoekersaantallen.
  4. Soms worden resultaten gemeten met behulp van kwalitatief (evaluatie)onderzoek.
  5. Tot slot beschrijft een aantal deelnemers spin-offs, bijvangst en impact door kruisbestuiving (waarin disciplines elkaar inspireren).

Bij het vergelijken van de beoogde en de gerealiseerde impact wordt duidelijk dat het lastig kan zijn om de resultaten te koppelen aan dat wat was beoogd. Ook in het rapport wordt opgemerkt dat niet altijd wordt teruggekeken naar de beoogde impact die vooraf was geformuleerd. Het zou dan ook waardevol zijn om handvatten te hebben die zowel de beoogde resultaten als de realisatie hiervan in een vergelijkbaar stramien kunnen plaatsen. Ook het bundelen en vergelijken van uitkomsten van dergelijke projecten zoals wordt gedaan in de Arts Impact Manager van CAL-XL en Cigarbox zou een aanbeveling zijn.

Fasering

Een mogelijkheid om het realisatieproces en de uitkomsten in een vergelijkbaar stramien te plaatsen, is het geheel op te delen in fases die per fase de realiteit van de crossover kunnen vatten en mogelijkheden bieden voor duiding.

Frits Grotenhuis beschrijft vanuit ervaring met vier crossover projecten een model voor crossovers dat bestaat uit drie fases. De eerst fase onderzoekt hierbij de bestaande situatie ten opzichte van de verlangde situatie. Een kwartiermaker speelt hierbij de centrale rol in het opzoeken van een netwerk en het onderzoeken van een werkbare samenwerking. Deze fase kan succesvol worden afgerond wanneer er een plan ligt voor een pilot met toezeggingen van de betrokken samenwerkingspartners.

De tweede fase bestaat uit het realiseren van de pilot en een gezamenlijke visie op mogelijkheden om deze pilot voort te zetten en uit te breiden. Ook is financiering hierbij van belang. Cruciaal is hierbij dat er consensus bestaat over de visie voor de toekomst van het project. Wanneer dit het geval is kan gebouwd worden aan een duurzame organisatievorm waarmee de derde fase aanbreekt. De uitdaging daarbij is het vinden van een duurzame infrastructuur die ook financiële mogelijkheden biedt.

Ook voor het meten of benaderen van de resultaten van culturele crossovers, kan worden gekeken naar bestaande kaders. Voor het evalueren van zogeheten spillovers wordt in de Value-Based Approach (VBA) net als bij het model van Grotenhuis met fases gewerkt. Hierbij wordt in de eerste fase een diagnose gesteld van de waarden die de verschillende stakeholders in het proces beoogden te bereiken, onderverdeeld in vier soorten waarde: persoonlijk, sociaal, maatschappelijk en overstijgend. Vervolgens wordt in de tweede fase gekeken hoe de activiteiten zich verhouden tot deze waarden door de strategieën van de verschillende stakeholders te onderscheiden en te volgen. Ten slotte is in de VBA een methode ontwikkeld om te kijken of de waarden van de stakeholders zijn veranderd. Deze methode vormt de derde fase.

In zowel het model voor de uitvoering van een crossover, als in de evaluatiemethode van vergelijkbare projecten, is de fasering erop gericht een goed beeld te krijgen van de taakverdeling, verwachtingen van de betrokkenen en het evalueren van een periode. Dit zijn aspecten die ook terugkwamen in het groepsgesprek.

Effectieve crossovers en meetbare resultaten

Door de twee faseringsmodellen over elkaar heen te leggen ontstaat een werkwijze die het proces op een werkbare manier afbakent en kan volgen zonder dat het te dwingend is. Het lijkt bovendien genoeg ruimte te laten voor de gewenste structuur die volgt uit het groepsgesprek. Figuur G is een schematische weergave van deze combinatie, waarbij het de aanbeveling zou hebben om een kwartiermaker/matchmaker te hebben die de verschillende fases monitort en evalueert.

Schematische weergave faseringsmodel

RealisatieEvaluatie
Fase 1Inventariseren verschil huidige en wenselijke situatie, vinden van meest logische samenwerkingspartners en inventariseren verwachtingen van betrokkenen.Diagnose van waarden die de verschillende stakeholders willen operationaliseren.
Fase 2Realiseren pilot en vaststellen structuur voor duurzame voortzetting.Inventarisatie verhouding waarden en activiteiten binnen uitvoeringen door volgen verschillende strategieën.
Fase 3Duurzame implementatie resultaten culturele crossover.In kaart brengen ontwikkeling van de verschillende waarden d.m.v. VBA.

Een belangrijk aspect dat daarbij niet uit het oog moet worden verloren, is de mogelijkheid om de waarde van het artistieke product zelf te kunnen beoordelen. Eva Fotiadi merkt in relatie tot The Art of Impact op dat de artistieke vorm die de projecten hebben, veelal is terug te brengen tot bijeenkomsten, ontmoetingen en participatieve activiteiten. Wanneer deze naast een artistieke ook een politieke – of direct uitvoerende maatschappelijke – rol hebben, zo betoogt Fotiadi, produceren ze voornamelijk wat Slavoj Zizek ‘pseudo-activiteit’ noemt en stijgen daarmee niet boven een zekere wisselvalligheid uit De kunstenaars waarmee voor dit onderzoek is gesproken gaven bovendien aan dat het voor hen bij culturele crossovers van belang is om goede kunst te maken. Door deze waarde in het faseringsmodel in te passen en te benoemen ontstaat bij de verschillende betrokken partijen meer duidelijkheid over de rol en bedoelingen van de kunstenaar.

Voor het inventariseren van de verschillende waarden en een overkoepelend doel, is de typologie van Gielen goed bruikbaar als extra handvat naast de verdeling die binnen de VBA wordt gehanteerd. Ook kan hierbij gekeken worden naar de typologie van community-arts projecten die Sikko Cleveringa ontwikkelde. Dit dwingt de betrokkenen namelijk om in de eerste fase duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de positionering van de crossover. Het geeft ook direct de niet te verontachtzamen waarde aan die een crossover voor de kunst en de kunstenaar kan hebben.