Inleiding
Op deze pagina brengen we de resultaten van het vragenlijstonderzoek onder Brabantse culturele makers en instellingen in kaart. Het werken buiten de culturele sector staat centraal, met name aan
We beginnen met een overzicht van de samenwerkingspartners, zowel binnen als buiten de culturele sector. Daarna kijken we naar de aard en opbrengsten van maatschappelijke projecten, de uitdagingen die makers en instellingen ervaren en de rol van subsidie-eisen. Tot slot besteden we aandacht aan de ondersteuningsbehoeften die uit het onderzoek naar voren komen.
De cijfers zijn gebaseerd op een vragenlijst die in februari 2026 is uitgezet onder Brabantse makers en instellingen. In totaal vulden 181 makers en 156 instellingen de vragenlijst in, werkzaam in uiteenlopende disciplines. Bij de instellingen is de uitnodiging voornamelijk naar directeuren, artistiek leiders en voorzitters gegaan. Meer over de aanpak staat in de onderzoeksverantwoording.
Samenwerkingspartners
Brede verankering buiten de eigen sector
In het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen samenwerkingspartners buiten de culturele sector en partners binnen de culturele sector. Verreweg de meeste culturele makers en instellingen werken samen met partijen buiten de culturele sector: 75% van de makers en maar liefst 89% van de culturele instellingen. Deze brede verankering in de samenleving valt op.
Binnen de culturele sector liggen de samenwerkingsverbanden anders. Makers zoeken elkaar op via onderwijsinstellingen, musea, centra voor de kunsten en gezelschappen. Instellingen werken binnen de sector het meest samen met theaters, gezelschappen, festivals en musea. Daarnaast noemen ze lokale partners zoals een buurtharmonie. Slechts 3% van de instellingen en 14% van de makers werkt uitsluitend op zichzelf, zonder samenwerkingspartners binnen de culturele sector.
Inhoud van de projecten
Maatschappelijke projecten als kernactiviteit
Meer dan de helft van de makers (56%) geeft aan te werken aan projecten buiten de culturele sector met een maatschappelijk doel. Er zijn ook makers die (nog) niet buiten de sector werken: 18% van deze makers geeft aan dit wel te overwegen; 16% van deze bevraagde makers heeft daar geen plannen voor. Bij de instellingen ligt het aandeel nog hoger: 71% werkt aan maatschappelijke projecten. Eén op de vijf instellingen (21%) doet dit niet en heeft er ook geen plannen voor.
Meer maatschappelijke dan commerciële projecten
Naast maatschappelijke projecten is ook gekeken naar commerciële opdrachten van makers en instellingen. Commerciële activiteiten maken duidelijk minder vaak deel uit van de praktijk dan maatschappelijke projecten: circa een kwart van de makers richt zich op commerciële opdrachten, tegenover 10% van de instellingen. Voorbeelden van commerciële projecten die worden genoemd door instellingen zijn bijvoorbeeld hackathons, het meedenken bij het bouwen van woningen, het verzorgen van workshops en het mede-organiseren van evenementen. Makers werken bijvoorbeeld als trainingsacteur, doen aan commerciële fotografie of ondersteunen bij citymarketing.
Makers die commercieel werken zien zichzelf als cultureel ondernemer: de inkomsten uit commerciële projecten geven hen de ruimte ook culturele projecten te ontwikkelen.
“Met het geld wat ik onder andere verdien bij het schrijven van teksten voor bedrijven subsidieer ik mijn eigen culturele projecten grotendeels. Ik ben liever niet afhankelijk van subsidies.”
“Ik ben een echte cultureel ondernemer: ik schrijf bijvoorbeeld gedichten op maat en geef boeken, kaarten en posters uit.”
“We kiezen bewust voor commerciële opdrachten omdat deze opdrachten zorgen voor financiële continuïteit en ruimte om culturele projecten te ontwikkelen, te experimenteren en toegankelijk te houden voor publiek en partners.”
Maatschappelijke projecten een serieuze inkomstenbron
Maatschappelijke projecten zijn voor ruim een derde van de makers (36%) een serieuze inkomstenbron: zij halen er 40% of meer van hun omzet uit. Een klein deel (12%) genereert er helemaal geen omzet uit. Bij instellingen is het beeld gelijkmatiger: 18% haalt 40% of meer van de omzet uit maatschappelijke projecten, maar eveneens 18% genereert er niets uit.
Drempels
Drempels om buiten de sector te werken
Makers en instellingen die niet aan maatschappelijke projecten werken, noemen vooral praktische drempels: gebrek aan tijd, geld, capaciteit en netwerk. Instellingen zijn vaak klein en draaien grotendeels op vrijwilligers; makers hebben de handen vol aan de eigen praktijk of staan nog aan het begin van de loopbaan.
“Ik werk niet aan maatschappelijke projecten vanwege gebrek aan ingangen en financiering.” (maker)
“Het is altijd veel gedoe om financiering rond te krijgen.” (maker)
“Ik zou ik wel willen, maar weet nog niet welke instanties ik daarvoor moet benaderen en op welke manier.” (maker)
Daarnaast klinkt een meer principieel geluid. Meerdere respondenten geven aan dat kunst van zichzelf al maatschappelijk is, en dat het toekennen van een specifieke maatschappelijke functie de kunst kan reduceren tot een middel voor andere doelen. Ook is het onderscheid tussen artistieke en maatschappelijke projecten voor velen niet zwart-wit. Sommige respondenten merken op dat de huidige financieringsstructuur het lastig maakt om zonder maatschappelijke insteek aan middelen te komen, wat de keuzes die ze maken soms beïnvloedt. Tot slot is er een groep die het wél wil, maar niet weet hoe: ze vinden de ingangen niet, weten niet welke partijen ze moeten benaderen, of zijn onzeker over wat ze te bieden hebben.
“Ik merk dat het vreemd voelt om zo in gescheiden branches te denken. Het verstart mij om zo naar de wereld te kijken.” (maker)
“Kunst is inherent maatschappelijk. Een specifieke maatschappelijke functie toekennen aan de kunsten is het gevolg van een misvatting over de aard van de kunsten.” (maker)
“Als makers hun werk compleet moeten vormen naar de maatschappij dan wordt het iets anders dan kunst.” (maker)
Veranderingen in werkpraktijk
Werken aan maatschappelijke projecten geen bijzaak
Makers en instellingen zijn het erover eens dat het werken aan maatschappelijke projecten geen bijzaak is. Voor bijna de helft van de makers (47%) en iets meer dan de helft van de instellingen (51%) behoren maatschappelijke projecten tot de kernactiviteit. Ruim zes op de tien makers ziet het werken aan maatschappelijke projecten als essentieel voor de toekomstbestendigheid (63%) en relevantie (61%) van hun praktijk; bij instellingen liggen deze percentages hoger (respectievelijk 81% en 79%). Ook het imago dat het werken aan maatschappelijke projecten met zich meebrengt speelt een rol voor meer dan de helft van de makers en 77% van de instellingen. Subsidie-eisen drijven de betrokkenheid bij maatschappelijke projecten niet. Slechts 14% van de makers en 18% van de instellingen werkt aan maatschappelijke projecten om daaraan te voldoen.
“Het is een continu aandachtspunt geworden welke partijen we actief en passief kunnen betrekken om ons museum maatschappelijk relevant te maken.” (instelling)
“Maatschappelijke partners staan meer open voor culturele projecten. De meerwaarde van die combi wordt steeds beter gezien door culturele instellingen en de lokale overheid.” (maker)
Verschuiving naar vraaggericht werken
Makers zijn verdeeld over de vraag of de maatschappelijke samenwerking de aard van projecten merkbaar heeft veranderd. 36% is het (helemaal) eens met deze stelling, 34% staat neutraal en 30% is het (helemaal) oneens. Bij instellingen is de verdeling scherper: 46% ervaart een merkbare verandering in de aard van hun projecten, tegenover 20% die dit niet zo ervaart.
Aan wie deze verandering wel herkent, is doorgevraagd hoe maatschappelijke samenwerking hun projecten heeft beïnvloed. De grootste verschuiving is dat ze minder aanbodgericht en meer vraaggericht zijn gaan werken. Concrete voorbeelden van instellingen hierbij zijn een museum dat op maat gemaakte onderwijsconcepten ontwikkelde, een organisatie die workshops voor jongeren later ook uitvoerde met vluchtelingen en senioren, en muzikanten die hun werk uitbreidden van zorg binnen zorginstellingen naar begeleiding thuis. Ook makers beschrijven vergelijkbare verschuivingen. Zo groeide bijvoorbeeld een filmproject uit tot een breed community-concept met workshops en jongerenprogrammering, of een solo-expositie over mentale gezondheid uit tot lezingen en workshops voor instellingen en onderwijs.
“Door samen op weg te gaan ontwikkel je simpelweg aanbod op basis van de vraag, niet aanbod gericht maar vraaggericht. Daar waar de behoefte ligt en kijken naar de context en omgeving.” (instelling)
“Je praktijk heeft meer vanzelfsprekend een blik naar buiten.” (maker)
“We zitten nu dichter opa de vraag van de mensen die ‘t nodig hebben en dus vormt de dienstverlening zich beter.” (instelling)
“Dankzij de samenwerking met een maatschappelijke partner hebben wij een stadsprogramma, met de focus op jongerenactiviteiten, mogelijk kunnen maken.” (instelling)
Bredere oriëntatie op maatschappelijke groepen zorgt voor andere accenten in programmering (tentoonstellingen, activiteiten), verandert de oriëntatie van medewerkers en vergroot hun maatschappelijke betrokkenheid.” (instelling)
Wisselwerking tussen partijen, investeer in langetermijnrelaties
Opvallend is de wisselwerking tussen de artistieke en maatschappelijke praktijk: meerdere makers geven aan dat beide elkaar in hun beleving versterken in plaats van concurreren. Een gedeeld inzicht is dat maatschappelijke samenwerking continuïteit vraagt: eenmalige projecten werken niet, je moet investeren in langdurige relaties en vertrouwen.
Uitdagingen
Randvoorwaarden zijn ook struikelblokken
De grootste uitdaging bij maatschappelijke projecten is financieel van aard. Twee derde van de makers noemt een gebrek aan financiële middelen of eerlijke vergoeding als voornaamste drempel. Bij instellingen ligt dit percentage hoger: 76% wijst op onvoldoende financiering buiten de kernactiviteiten. Dit is ook precies wat makers en instellingen als randvoorwaarde stellen voor een succesvolle samenwerking aan een maatschappelijk project: voldoende tijd, capaciteit en financiering. Dit lijkt in de praktijk het grootste struikelblok te zijn.
“Het veroorzaakt financiële uitdagingen omdat alles ‘gratis’ moet.” (maker)
“Om mij maatschappelijk in te kunnen zetten, heb ik echt meer financiële ondersteuning nodig.” (maker)
“De focus op maatschappelijke themas is goed, daarnaast het aansturen op samenwerking buiten de culture sector is naar mijn idee ook een goede stap. Echter wordt er niet bij stilgestaan dat de partijen/domeinen buiten de culture sector er nog geen geld voor willen neerleggen.” (maker)
Een andere gedeelde uitdaging is de moeilijke meetbaarheid van maatschappelijke impact, genoemd door 41% van de makers en 39% van de instellingen. Makers lopen daarnaast aan tegen onduidelijke of wisselende verwachtingen van opdrachtgevers (41%). Bij instellingen speelt ook de complexiteit van samenwerking met meerdere partners (37%).
Beide groepen stellen als basisvoorwaarde dat een project past bij de eigen missie of kernactiviteiten. Een duidelijke maatschappelijke meerwaarde is voor 66% van de makers en 65% van de instellingen onmisbaar. Wat opvalt is dat 71% van de makers ruimte voor eigen artistieke keuzes als cruciaal beschouwt. Bij instellingen ligt dat lager, op 53%.
Ook klinkt in de antwoorden een bredere frustratie door: erkenning van sociaal-artistiek werk is niet vanzelfsprekend, niet maatschappelijk en niet artistiek. Dat raakt aan meer dan financiën alleen.
“De erkenning van sociaal-artistiek werk is zowel vanuit maatschappelijk als vanuit artistiek oogpunt niet vanzelfsprekend.” (maker)
Aansluiting bij bestaande vaardigheden
Voor de meeste makers sluit het gezamenlijk werken aan maatschappelijke projecten goed aan bij de vaardigheden die ze al in huis hebben. Slechts 17% van de makers ervaart dat maatschappelijke samenwerking andere vaardigheden vraagt dan zij al bezitten. Bij de instellingen gaat dit om 38%.
Opbrengsten voor beide partijen
Zes op de tien makers en ruim de helft van de instellingen ervaart de samenwerking als wederkerig: beide partijen profiteren evenveel.
“In de lijn van mijn beeldende kunst praktijk heeft het voor diepgang en verbreding verzorgd omdat er een feedback loop is ontstaan tussen autonome en toegepaste praktijk/projecten, niet commercieel/commercieel werk.” (maker)
“Het heeft ons gezelschap meer flexibel gemaakt in de vorm waarin we ons presenteren.” (instelling)
“We zijn meer gaan nadenken over voor welke publieksgroepen dit werk geschikt is en hoe we deze kunnen bereiken.” (instelling)
“Het zorgt er voor dat ik meer voldoening en verbinding voel in mijn werk en in mijn leven.” (maker)
Over wie de regie heeft, zijn de meningen verdeeld. Ongeveer vier op de tien makers én instellingen zeggen dat zij zelf de regie voeren. Maar niet iedereen ervaart dat zo: 23% van de makers vindt juist van niet. Ook worstelen veel instellingen met sturing: meer dan de helft (52%) vindt het lastig om projecten te sturen waarbij veel maatschappelijke partners betrokken zijn. Qua betrokkenheid in het proces geldt dat één op de drie makers en instellingen al vroeg aansluit. Tegelijkertijd zegt 24% van de makers dat zij pas later worden betrokken.
Effecten van subsidies
Verdeeldheid over maatschappelijke betekenis als vereiste bij subsidies bij makers
Makers en instellingen zijn verdeeld over de gevolgen van de groeiende nadruk op maatschappelijke betekenis in subsidiecriteria. Bij makers leven er veel twijfels: ruim de helft (51%) vindt dat dit hun artistieke vrijheid beperkt, en een derde merkt dat het invloed heeft op wat zij maken. Tegelijkertijd zien makers ook positieve effecten: 28% zoekt hierdoor vaker maatschappelijke partners op, 25% ziet een diverser cultureel aanbod in de omgeving en 24% vindt dat de culturele infrastructuur erdoor wordt versterkt.
“Ik vind dat kunst en cultuur an sich een maatschappelijk project is. Kunst en cultuur inzetten voor een specifiek maatschappelijke project maakt snel dat het geïnstrumentaliseerd wordt.” (maker)
“Ik behoud graag mijn creatieve vrijheid.” (maker)
“Het trekt me niet zo omdat maatschappelijke projecten vaak binnen kaders bedacht en uitgevoerd moeten worden en moeten voldoen aan allerlei criteria die de creativiteit en vrijheid van het maken in de weg kunnen zitten.” (maker)
“Het moet geen ‘paradepaardje’ zijn, maar een oprechte ambitie.” (maker)
“De bureaucratie vraagt zoveel tijd, dat ik weinig tijd over houdt aan ontwikkeling van mijn (autonome) werk.” (maker)
“De huidige nadruk op maatschappelijke betekenis in subsidiecriteria begrijp ik ten dele, maar ik vind dat subsidie-instellingen teveel oordelen op basis hiervan.” (maker)
Instellingen maken zich minder zorgen over artistieke autonomie
Instellingen laten een ander beeld zien. Bijna de helft (46%) geeft aan dat de nadruk op maatschappelijke betekenis hen aanzet tot het zoeken van maatschappelijke partners, en evenveel instellingen merken dat dit hun aanbod of programmering beïnvloedt. Opvallend is dat 29% het (helemaal) eens is met de stelling dat artistieke autonomie in het gedrang komt, een stuk lager dan de makers. Dit kan samenhangen met verschillen tussen de respondentgroepen. Bij de instellingen is de enquête vooral ingevuld door zakelijk leiders en directeuren, die zich voornamelijk bezighouden met niet-artistieke taken.
Dat roept een spanning op die uit de cijfers spreekt. Makers omarmen maatschappelijke samenwerking omdat het hun werk verrijkt, maar verzetten zich tegen de verplichting ervan als subsidievoorwaarde. De meerwaarde ligt in de autonomie: vrijwillige verbinding werkt versterkend, opgelegde maatschappelijke functie voelt als instrumentalisering.
“Het zou de vrijheid van de kunstenaar of instelling moeten zijn om wel of niet buiten het eigen domein te opereren.” (instelling)
“Het wordt lastig om jezelf te blijven als de inhoud van de invulling reeds bepaald is. Pas op het dat het geen toegepaste kunst wordt.” (maker)
“Als ‘kunstenaar’ merk ik dat ‘kunst’ steeds vaker een middel wordt. En dat terwijl kunst als doel op zichzelf ook genoeg mag zijn/ is!” (maker)
Sociale cohesie als voornaamste opbrengst
Sociale cohesie, het verhogen van de culturele participatie en de bevordering van inclusie en participatie van kwetsbare groepen zijn volgens makers en instellingen de belangrijkste effecten van het werken aan maatschappelijke projecten. Economische meerwaarde wordt juist relatief weinig genoemd.
“Het draagt bij aan verbinden in onze gemeenschap” (instelling)
Makers zien sociale cohesie (64%) als het belangrijkste effect, gevolgd door het vergroten van culturele participatie van kwetsbare groepen (57%) en een verhoogd welzijn en grotere betrokkenheid bij deelnemers (57%). Bij instellingen scoort het verhogen van culturele participatie het hoogst (72%), gevolgd door het bevorderen van inclusie en participatie van kwetsbare groepen (66%), samenwerking tussen organisaties (59%) en sociale cohesie (57%).
Randvoorwaarden
Behoefte aan financiering, netwerk en experimenteerruimte
We vroegen ook welke ondersteuning het meest zou helpen om maatschappelijke projecten succesvol uit te voeren. De meest genoemde vormen van ondersteuning zijn:
- Financiële ondersteuning of subsidies voor maatschappelijke projecten;
- Netwerkvorming en toegang tot maatschappelijke organisaties;
- Ruimte voor experiment, reflectie en innovatie binnen projecten;
- Toegang tot faciliteiten, materialen of infrastructuur.
“Meer erkenning voor sociaal-artistiek werk en discipline-overstijgend werken. Kunstfondsen erkennen dit nog te weinig, er wordt te veel gedacht in de klassieke disciplines.” (instelling)
“Ga meer in processen denken als je wilt samenwerken met onderwijs en zorgpartners buiten de kunsten. Het projectmatig werken kan heel goed werken, maar ook volledig de plank mis slaan.” (instelling)
“Meer mogelijkheden tot structurele financiële ondersteuning vanuit fondsen, omdat je met dit soort projecten een lange adem moet hebben.” (maker)
10% van de makers heeft ‘anders’ aangevinkt, 12% van de instellingen heeft dit gedaan. Antwoorden die zij noemen gaan over het krijgen van meer kwalitatieve aandacht in de (culturele) media, structurelere ondersteuning – zowel financieel, als door bijvoorbeeld een ‘maatschappelijk makelaar’ en ook meer erkenning wordt genoemd. Makers noemen ook intervisie, structurele (financiële) ondersteuning en meer bekendheid. De behoeften zijn helder. De vraag is nu aan wie het is om daarop in te spelen.
“Ik denk dat een maatschappelijk makelaar veel zou kunnen betekenen.” (instelling)
“Er moet sprake zijn van een evenwichtig gedeeld belang, vertrouwen, verantwoordelijkheid en solidariteit; van echte partners dus.” (instelling)
“Het zou handig zijn als we aan konden sluiten bij een poel van bedrijven die er open voor staan om benaderd te worden door maatschappelijk projecten en organisaties. Dan hoeven we minder op zoek te gaan (waar weinig tijd voor is).” (instelling)
“Wat ons opvalt is dat maatschappelijk organisaties graag samen willen werken, maar niet de noodzaak zien om daar zelf ook financieel aan bij te dragen. Subsidienten en fondsen verwachten dat wat te gemakkelijk.” (instelling)
“Het kost tijd relaties op te bouwen en de zorg waarin ik mij begeef heeft zelf ook niet veel financiële middelen. Ga langere samenwerking aan met makers vanuit fondsen zodat de tijd die nodig is om daadwerkelijk van betekenis te kunnen zijn waardevol kan gaan zijn.” (maker)
Onderzoeksverantwoording
Achtergrond van de respondenten
De online vragenlijst is door 156 culturele instellingen en 181 makers/ kunstenaars in Brabant ingevuld in februari 2026. De culturele instellingen vertegenwoordigen producenten podiumkunsten, visuele kunsten, musea, festivals, poppodia, overige podia, centra voor de kunsten, bibliotheken en filmtheaters. Makers werkzaam in verschillende sectoren zijn vertegenwoordigd in het onderzoek.
Driekwart van de makers is zzp’er, voornamelijk actief in de beeldende kunst (60%), amateurkunst/cultuureducatie (22%) en muziek (18%). De werkzaamheden omvatten vooral productie, ontwikkeling en presentatie. De instellingen zijn divers van aard en vooral actief in muziek, theater en beeldende kunst. De meeste zijn kleinschalig (twee derde heeft 1–9 medewerkers).
Bijna twee derde van de makers ontvangt geen subsidie. Als zij dit wel ontvangen, zijn dit voornamelijk gemeentelijke projectsubsidies. De meerderheid van de instellingen krijgt meerjarige gemeentelijke financiering, slechts 15% ontvangt geen subsidie. Anders dan bij makers ontvangt slechts 15% geen subsidie; de meerderheid van de makers heeft meerjarige gemeentelijke financiering.
Lees meer over de methodiek in de onderzoeksverantwoording.
Meer weten?
Bureau Berenschot deed onderzoek naar de potentie voor de culturele sector om bij te dragen aan maatschappelijke vraagstukken, zowel landelijk als voor Amsterdam.
Kunstloc Brabant werkt aan de verbinding van maatschappelijke opgaven aan de creatieve sector en aan de verbinding met zorg en welzijn.
Bekijk de resultaten van het onderzoek onder Brabantse makers en instellingen in Waarde van cultuur 2024.
Wat zijn de verhalen achter de cijfers? Op Kunstloc Brabant vind je interviews met de mensen uit de culturele sector.
De onderzoeksverantwoording gaat uitgebreid in op de gebruikte data en onderzoeksmethoden.