Inleiding
Op deze pagina brengen we de financiële ontwikkeling van culturele instellingen in de zeven
De cijfers zijn afkomstig uit de jaarrekeningen van 177 culturele instellingen uit de zeven gemeenten. Niet alle jaarrekeningen waren beschikbaar, dus niet alle instellingen zijn meegenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen deelsectoren: producenten podiumkunsten, visuele kunsten, festivals, musea, poppodia, podia (exclusief poppodia), letteren, centra voor de kunsten en bibliotheken, en overige instellingen. Meer over de aanpak staat in de methodiek en de onderzoeksverantwoording. Hier is ook een lijst met de geanalyseerde instellingen te vinden.
Inkomsten
Eigen inkomsten boven niveau van vóór corona
In 2020 zien we bij de 177 instellingen een sterke afname van de eigen inkomsten ten opzichte van 2019: van ruim 107 miljoen naar 50 miljoen euro. In 2021 krabbelen de inkomsten iets op, vanaf 2022 stijgen de eigen inkomsten flink. Van 102 miljoen in 2022 naar 139,6 miljoen in 2024. In 2023 en 2024 liggen de inkomsten hoger dan vóór de coronacrisis.
Aandeel publieksinkomsten bijna weer op niveau van 2019
Het aandeel publieksinkomsten op de totale eigen inkomsten ligt net onder het niveau van 2019. In 2019 was dat 72%, in 2020 55%, in 2021 50% en in de post-coronajaren 2022, 2023 en 2024, 68%-69%.
Andere eigen inkomsten bestaan uit sponsoring (in de gehele periode rond 3,5%), bijdragen van private fondsen (gemiddeld 5%) en overige directe en indirecte inkomsten (gemiddeld 28%, met uitschieters in 2020 en 2021 naar 33% respectievelijk 41% als gevolg van coronasteun). Het percentage overige inkomsten ligt in 2024 met 25% boven het niveau van 2019, toen was dit nog 19%. Waarschijnlijk komt dit door een grotere rol van verhuur van zalen en personeel op de totale inkomsten, voornamelijk door de grotere theaters. De stabiliteit van het aandeel sponsoring en privaat geld valt op. Het blijkt moeilijk te zijn deze aandelen groter te maken. Dat was al zo voor 2020 en we zien dit niet veranderen.
Festivals krabbelen niet op na corona, bibliotheken/centra voor de kunsten wel
In de periode 2019-2024 zijn de podia gezamenlijk verantwoordelijk voor de helft van alle eigen inkomsten: zo’n 35% van de eigen inkomsten komt van de podia en zo’n 15% van de poppodia. De eigen inkomsten van de festivals zijn sterk afgenomen. In 2019 kwam 12% van de totale eigen inkomsten in de BrabantStad-gemeenten van de festivals, in 2024 is dit afgenomen naar 5%. Dat hangt sterk samen met het verdwijnen van het populaire hiphopfestival Woo Hah! uit Tilburg. Het aandeel eigen inkomsten van de musea is terug op het niveau van voor corona. Bij de bibliotheken/centra voor de kunsten zagen we tijdens de coronaperiode een stijging van hun bijdrage aan de totale eigen inkomsten van 12% in 2019 naar 21% in zowel 2020 als 2021. Vanaf 2022 stabiliseert dit, rond de 15-16%.
Het aandeel van de producenten van podiumkunsten in de totale inkomsten schommelt rond de 6-7% in de periode 2019-2024, bij de visuele kunsten is dat 3% sinds 2022 (in 2019 nog 5%) en bij de letteren 0,2%. Deze domeinen lijken niet sterk beïnvloed te zijn door de coronacrisis.
Poppodia hebben het hoogste aandeel publieksinkomsten
Poppodia hebben het grootste aandeel publieksinkomsten op hun totale inkomsten: 86% in 2019 en zelfs 93% in 2024. Over de hele periode 2019-2024 is dat 74%. Afgezien van de corona-onderbreking lijkt er een stijgende lijn ingezet te zijn. Ook scoren de podia (excl. poppodia) gemiddeld gezien hoog met hun aandeel publieksinkomsten op totale inkomsten. Dat is in de periode 2019-2024: 72%. Zij worden gevolgd door de centra voor de kunsten en bibliotheken (64%), producenten van podiumkunsten (57%), visuele kunsten (44%) en festivals (43%).
De festivals hadden een flinke dip in de coronajaren in het aandeel publieksinkomsten op hun totale eigen inkomsten: van 72% in 2019 naar 18% in 2020 en 29% in 2021. Dat stijgt weer naar rond de 46% in 2022-2024, onder het niveau van voor corona. Ook dat kan samenhangen met het verdwijnen van een populair festival zoals Woo Hah!
Samengevat: Producenten van podiumkunsten, visuele kunsten, poppodia, letteren en overige domeinen zitten qua publieksinkomsten in 2024 boven het niveau van 2019. Festivals, musea, podia (excl. poppodia) en bibliotheken/centra voor de kunsten zitten daar nog onder.
Subsidies
Subsidies gestegen na corona, vooral gemeenten subsidiëren
De 177 instellingen kregen in 2022 in totaal 171 miljoen subsidie en in 2024 189 miljoen. Dat is een flinke stijging ten opzichte van 2019 en 2020 (respectievelijk 136 en 152 miljoen euro). Gemeenten nemen gemiddeld (over de periode 2019-2024) 69% van de subsidies voor hun rekening. Zoals ook beschreven staat bij Cultuuruitgaven van overheden zijn het vooral gemeenten die de cultuursector subsidiëren.
Het aandeel subsidie van provincie, rijk en de cultuurfondsen is gemiddeld 8,2%, 8,4% en 3,1%. Hierbij valt op dat het aandeel van de provincie in de totale subsidiesom kleiner is geworden: van 10% in 2019 naar 7% in 2024.
De resterende 11% komt in 2024 uit overige (incidentele, publieke) subsidiebronnen. Dit aandeel is gestegen: in 2019 was 6% van alle subsidies uit overige bronnen afkomstig.
Podia en bibliotheken/centra voor de kunsten groot aandeel gemeentesubsidies
Het aandeel gemeentelijke subsidie in het totaal aan subsidies is niet bij alle domeinen gelijk. Het zijn vooral bibliotheken/centra voor de kunsten, podia (excl. poppodia), poppodia en musea waar de gemeentesubsidie een groot aandeel inneemt, respectievelijk 91%, 86%, 71% en 71% in de periode 2019-2024.
De invloed van de gemeentesubsidies is laag bij de producenten van podiumkunsten (10% in 2019-2024). Maar ook bij de festivals (32%), letteren (40%) en visuele kunsten (45%) nemen de gemeentesubsidies minder dan de helft van de totale subsidiesom in.
Letteren, overige instellingen, poppodia en visuele kunsten relatief weinig subsidie
Als we kijken naar de totale verdeling van de subsidies over de verschillende domeinen zijn de grootste ontvangers de bibliotheken/centra voor de kunsten (gemiddeld 62,4 miljoen per jaar, in 2024 77,5 miljoen euro), de podia (gemiddeld 34,3 miljoen euro per jaar), de musea (23,4 miljoen euro) en ook de producenten van podiumkunsten (25,1 miljoen euro). Poppodia, visuele kunsten en letteren en overige instellingen krijgen relatief weinig subsidie.
Lasten
Stijgende totale lasten bij bijna alle domeinen
In 2019 hadden de 177 culturele instellingen in de BrabantStad-gemeenten zo’n 231 miljoen euro aan lasten. In 2024 is dat gestegen naar 330 miljoen euro. De totale lasten stijgen vooral bij de bibliotheken/centra voor de kunsten (van 62,2 miljoen euro in 2019 naar 101,1 miljoen euro in 2024). Mogelijk is dit te verklaren door de uitbreiding van de (wettelijke) taken voor bibliotheken in die periode. Ook de lasten van de podia (excl. poppodia) stijgen. Dat geldt ook voor de poppodia, de musea en de producenten van podiumkunsten. Gedaalde lasten zien we vooral bij de festivals.
Stijgende personeelslasten bij musea en visuele kunsten
Bij de bibliotheken/centra voor de kunsten zijn de personeelslasten gestegen, maar is het aandeel van deze lasten op de totale lasten gelijk gebleven. Dat geldt ook voor de producenten van podiumkunsten: de personeelslasten zijn gestegen, maar in zowel 2019 als 2024 is dit een even groot aandeel op de totale uitgaven. Bij podia en poppodia stijgen de personeelskosten ook. Toch vormen ze een kleiner deel van de totale kosten dan eerst.
Bij de musea en de visuele kunsten zien we een ander patroon. Ook hier zijn de personeelslasten gestegen, maar ze nemen een groter deel van de totale lasten in. Alleen bij festivals dalen de personeelslasten, als deel van de totale lasten blijven ze ongeveer hetzelfde.
Al met al betekent dit dat de gestegen totale lasten vooral bij de musea en de visuele kunsten te maken hebben met gestegen personeelslasten. Bij de podia worden de gestegen lasten waarschijnlijk niet door een hoger aandeel personeelslasten, maar door andere kostenstijgingen veroorzaakt (activiteiten, huur, energiekosten e.d.). Bij de bibliotheken/centra voor de kunsten blijft de verhouding onveranderd: stijgende totale lasten gaan hand in hand met stijgende personeelslasten.
Ratio inkomsten en subsidies
We vergelijken de eigen inkomsten met de ontvangen subsidies. We kunnen zo zien hoeveel eigen verdiensten er staan tegenover de publieke investeringen en hoe dit zich heeft ontwikkeld in de afgelopen jaren.
Het aandeel eigen inkomsten op subsidies licht gedaald
In 2024 wordt per euro subsidie minder bijverdiend dan in 2019, maar meer dan in 2022 en 2023. Het aandeel eigen inkomsten dat instellingen genereren op het totaal aan ontvangen subsidies daalt na 2019 aanvankelijk. De laatste jaren stijgt dit weer tot net onder het niveau van voor corona. In 2019 is het aandeel aan eigen inkomsten 79% en in 2024 is dit 74%. Dat betekent dat er in 2019 bij elke euro subsidie zo’n 79 eurocent werd bijverdiend. In 2024 was dat bijna 74 eurocent. Dat was in de coronajaren 32 eurocent.
De poppodia genereren vier keer zo veel eigen inkomsten als ze ontvangen aan subsidies. Dat is gestegen tussen 2019 en 2024. In 2019 was dat 3,33 euro per euro subsidie en dat loopt op tot 4,03 euro in 2024. Bij de letteren stijgt het van 39 eurocent in 2019 naar 51 eurocent per euro subsidie in 2024.
Aandeel eigen inkomsten daalt bij meerdere domeinen
De overige instellingen, festivals en visuele kunsten laten een sterke terugval zien in eigen inkomsten ten opzichte van subsidies. Vooral de overige instellingen scoren veel lager in 2024 dan in 2019: In 2019 was het 3,50 euro aan eigen inkomsten per euro subsidie, in 2024 is dat 1,44 euro. Bij de festivals daalt het aandeel eigen inkomsten van 1,96 euro boven op de subsidies in 2019 naar 78 eurocent in 2024. Bij de visuele kunsten daalt het van 1,07 euro in 2019 naar 69 eurocent in 2024. Tenslotte zien we ook bij de producenten van podiumkunsten een daling, maar wel een kleinere: van 36 eurocent aan eigen inkomsten per euro subsidie in 2019, naar 31 eurocent in 2024.
Aandeel eigen inkomsten relatief stabiel bij musea, podia, bibliotheken/centra voor de kunsten
De musea verdienden in 2019 rond de 58 eurocent voor elke euro aan ontvangen subsidie. In 2024 is dat 64 eurocent, waardoor het beeld relatief stabiel is. De podia blijven ook relatief stabiel als het gaat om het aandeel eigen inkomsten per euro subsidie: van 1,43 euro in 2019 naar 1,50 euro in 2024. De bibliotheken/centra voor de kunsten verdienen 26 eurocent per ontvangen euro subsidie in 2019. In 2024 is dat 27 eurocent.
Meer weten?
De indicatoren uit dit artikel staan niet in het dashboard. Wel vind je in het dashboard landelijke indicatoren over geldstromen.
Het thema Cultuur en Geldstromen in de Cultuurmonitor gaat in op de financiële middelen die via overheden, private bijdragen en eigen inkomsten naar de Nederlandse cultuursector vloeien.
Wat zijn de verhalen achter de cijfers? Op de site Kunstloc Brabant vind je interviews met de directeuren van de poppodia 013 in Tilburg en Mezz in Breda.
De onderzoeksverantwoording gaat uitgebreid in op de gebruikte data en onderzoeksmethoden.
Ben je benieuwd naar de resultaten uit 2024?