Cultuurlocaties

Op deze pagina schetsen we een beeld van de cultuurlocaties in Brabantstad, zowel gesubsidieerd als niet-gesubsidieerd. Hiermee geven we inzicht in de volle breedte van de sector. We beginnen met een overzicht van het totale aanbod en de verdeling over disciplines. Daarna kijken we naar de verhouding tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde locaties, zowel per discipline als per gemeente. Tot slot besteden we apart aandacht aan ateliers, die voor het eerst als losse categorie zijn meegenomen. Er is gebruik gemaakt van data verzameld door Dialogic.

502 cultuurlocaties

in BrabantStad

Cultuurlocaties

29% gesubsidieerd

door gemeente

Subsidierelatie

72% open ateliers

van 370 ateliers in BrabantStad

Ateliers

Samenvatting 

De zeven Brabantstad-gemeenten tellen samen ruim 500 cultuurlocaties en apart daarvan nog eens 370 ateliers. Locaties voor beeldende kunst (anders dan ateliers) vormen de grootste categorie, op afstand gevolgd door locaties voor muziek en podiumkunsten. Eindhoven heeft het hoogste aantal cultuurlocaties, gevolgd door Tilburg en Breda.

Van alle cultuurlocaties is 29% structureel gesubsidieerd door de gemeenten en 71% niet-gesubsidieerd. Niet-gesubsidieerde locaties zijn vooral te vinden in de beeldende kunst en de muziek. Gesubsidieerde locaties omvatten onder meer openbare bibliotheken, musea en theaters. Roosendaal heeft verhoudingsgewijs de meeste niet-gesubsidieerde locaties, terwijl Helmond de enige gemeente is waar gesubsidieerde locaties in de meerderheid zijn.

Ateliers zijn voor het eerst als aparte categorie meegenomen. 72% daarvan is op gezette tijden toegankelijk voor publiek. ‘s-Hertogenbosch heeft het hoogste aandeel open ateliers; Eindhoven het hoogste aandeel gesloten ateliers/makersplaatsen (pure werkplekken zonder publieke toegang).

Cultuurlocaties

Onder een cultuurlocatie verstaan we elke openbaar toegankelijke plek waar cultuur gemaakt wordt en/of te beleven valt, van musea en theaters tot galeries, muziekpodia en multifunctionele ruimtes. Locaties zijn opgenomen als ze vaste openingstijden kennen en/of op geplande momenten toegankelijk zijn. Ateliers aan huis en adressen van culturele verenigingen vallen buiten de afbakening.

We brengen zowel gesubsidieerde als niet-gesubsidieerde locaties in kaart, van kunstgaleries en workshoplocaties tot muziekcafés en kleine onafhankelijke theaters. Die laatste categorie ontbreekt doorgaans in landelijke databronnen zoals het CBS, waardoor een belangrijk deel van het aanbod normaal gesproken buiten beeld blijft. Met deze aanpak komen we ook tegemoet aan de behoefte van gemeenten om meer zicht te krijgen op hun atelierbestand.

Verschillen tussen de gemeenten komen aan bod in de gemeenteprofielen. De vergelijking tussen Brabant en de rest van Nederland op basis van landelijke openbare bronnen staat op de pagina Culturele infrastructuur.

Cultuurlocaties in Brabantstad

De culturele infrastructuur van Brabantstad is omvangrijk en divers: in de zeven grootste gemeenten van Noord-Brabant zijn ruim 500 cultuurlocaties en 370 ateliers in kaart gebracht. Het grootste deel van de cultuurlocaties is gerelateerd aan beeldende kunst, gevolgd door muziek, podiumkunsten, musea, multifunctionele locaties, film en bibliotheken.

Data downloaden uit deze grafiek?

Eindhoven heeft met 123 locaties het hoogste aantal cultuurlocaties van de zeven gemeenten, Tilburg en Breda volgen met respectievelijk 108 en 106 locaties. ‘s-Hertogenbosch is goed voor 65 locaties, Roosendaal voor 44, Helmond voor 27 en Oss voor 29 locaties.

Data downloaden uit deze grafiek?

Verschillen per domein

Per domein zijn er verschillen te zien. Hieronder noemen we een aantal opvallende verschillen. Meer over het aanbod per gemeente wordt gepresenteerd op de gemeenteprofielen.

  • Beeldende kunst: Breda heeft het grootste aandeel (27% van de 169 beeldende kunstlocaties), gevolgd door Eindhoven (23%) en Tilburg (19%). Voorbeelden in Breda zijn Galerie Drift en Kunsthuis Breda.
  • Musea: De meeste musea bevinden zich in Eindhoven (28% van de 71 locaties), waaronder het DAF Museum, het Van Abbemuseum en het Inkijkmuseum.
  • Muziek- en bibliotheeklocaties: Tilburg is koploper met 33% van het totaal aantal locaties op beide domeinen. Bekende locaties zijn Poppodium 013, de Koepelhal en Concertzaal Het Cenakel voor muziek, en de LocHal als één van de zes bibliotheeklocaties in de stad.
  • Podiumkunsten: Tilburg en Roosendaal delen het grootste aandeel (elk 24%). In Roosendaal zijn dat onder andere het Openluchttheater Nispen, De Kring en Het Dansatelier.
  • Multifunctionele cultuurlocaties: Van de 44 locaties ligt 34% in Eindhoven, zoals ‘t Stadspaviljoen (muziek en theater) en BRAIN3R (beeldende kunst en film).
Gemeenten Cultuurlocaties Totaal %
BredaGesubsidieerd3129%
Niet-gesubsidieerd7571%
Totaal106100%
EindhovenGesubsidieerd2823%
Niet-gesubsidieerd9577%
Totaal123100%
‘s-HertogenboschGesubsidieerd2234%
Niet-gesubsidieerd4366%
Totaal65100%
HelmondGesubsidieerd1556%
Niet-gesubsidieerd1244%
Totaal27100%
OssGesubsidieerd828%
Niet-gesubsidieerd2172%
Totaal29100%
RoosendaalGesubsidieerd920%
Niet-gesubsidieerd3580%
Totaal44100%
TilburgGesubsidieerd3431%
Niet-gesubsidieerd7469%
Totaal108100%
TotaalGesubsidieerd14729%
Niet-gesubsidieerd35571%
Totaal502100%

Subsidierelatie

Brabantstad telt in totaal 147 structureel door gemeenten gesubsidieerde cultuurlocaties (29%) en 355 niet-gesubsidieerde locaties (71%). Binnen sommige domeinen worden verhoudingsgewijs veel locaties gesubsidieerd, binnen andere weinig. Zo zijn alle 18 bibliotheeklocaties gesubsidieerd.

Multifunctionele locaties worden vaker niet dan wel gesubsidieerd. Van de 44 multifunctionele locaties zijn er 17 gesubsidieerd, 27 niet. Voorbeelden van gesubsidieerde multifunctionele locaties zijn Nieuwe Veste in Breda en het Muziekgebouw Eindhoven. Niet-gesubsidieerde voorbeelden zijn de Koepelhal in Tilburg en Openluchttheater Hoessenbosch in Oss.

Filmlocaties vormen een uitzondering: zij maken 9% uit van de niet-gesubsidieerde locaties, maar slechts 4% van de gesubsidieerde. Filmlocaties draaien dus verhoudingsgewijs vaak zonder subsidie.

Gesubsidieerde locaties

Bij de gesubsidieerde locaties vormen beeldende kunstlocaties (exclusief ateliers) de grootste categorie met 22%, voorbeelden zijn CultuurCompaan in Roosendaal of Kunstpodium T in Tilburg. Daarna volgen podiumkunsten met 19% en musea met 18%. Muzieklocaties maken 14% van de gesubsidieerde cultuurlocaties uit, denk hierbij aan Willem Twee Poppodium in ‘s-Hertogenbosch en 013 in Tilburg. Multifunctionele locaties en bibliotheken vertegenwoordigen elk 12%, waarbij alle bibliotheeklocaties gesubsidieerd zijn. Filmlocaties vormen met 4% de kleinste categorie binnen de gesubsidieerde locaties.

Data downloaden uit deze grafiek?

Niet-gesubsidieerde locaties

Bij de niet-gesubsidieerde locaties is beeldende kunst nog dominanter: 38% valt hieronder. Denk aan talloze kunstgaleries in verschillende steden. Muzieklocaties zijn vertegenwoordigd met 18%, zoals P79 in ‘s-Hertogenbosch, de Oefenruimte in Helmond en de Harmonie in Tilburg. Podiumkunsten en musea maken respectievelijk 15% en 13% uit. Een voorbeeld van podiumkunsten is Kindertheater Pietepaf in ’s-Hertogenbosch, een voorbeeld van een museum is De Pont Museum in Tilburg. Multifunctionele locaties vertegenwoordigen 8% van de niet-gesubsidieerde locaties, en filmlocaties 9%.

Data downloaden uit deze grafiek?

Verhouding gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde cultuurlocaties

De verhouding tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde locaties is vooral in de beeldende kunst, muziek en film opvallend te noemen. Hier zijn veel meer niet-gesubsidieerde cultuurlocaties. Dat zijn bij uitstek plekken die losstaan van het gesubsidieerde circuit met individuele maakplekken, marktpartijen als commerciële kunstgaleries en muziekcafés en commerciële bioscopen van Pathé en Kinepolis.

Bij de podiumkunsten en de musea is de verhouding omgekeerd: daar zijn meer gesubsidieerde locaties dan niet-gesubsidieerde. Hier zit een zekere logica in: binnen het Ringenmodel van de VNG worden theaters voor podiumkunsten en musea gezien als voorzieningen die bijdragen aan de leefbaarheid en het culturele klimaat van een gemeente. Gemeenten voelen zich verantwoordelijk voor de beschikbaarheid daarvan voor hun inwoners. Daar komt bij dat er een wettelijke taak ligt om als gemeente een bibliotheek te hebben. Vandaar dat alle bibliotheeklocaties gemeentelijk gesubsidieerd zijn.

Data downloaden uit deze grafiek?

Verschillen tussen de gemeenten

  • Helmond: 56% gesubsidieerd, de enige Brabantstad-gemeente waar gesubsidieerde locaties in de meerderheid zijn. Die subsidies zijn relatief geconcentreerd: alle museumlocaties en de enige filmlocatie worden gesubsidieerd. Voorbeelden van gesubsidieerde locaties zijn Het Speelhuis, Jan Visser Museum, De Cacaofabriek en Kunstkwartier.
  • Roosendaal: 80% niet-gesubsidieerd, het hoogste aandeel van alle gemeenten. Anders dan in de meeste andere gemeenten worden in Roosendaal geen film- of muzieklocaties gesubsidieerd. Voorbeelden van niet-gesubsidieerde locaties zijn Galerie VIA STRATA, Productiehuis Plankenkoorts en Familie Demood.
  • ‘s-Hertogenbosch: 34% gesubsidieerd en 66% niet-gesubsidieerd. Verhoudingsgewijs worden hier meer podiumkunsten- en museumlocaties gesubsidieerd dan gemiddeld in Brabantstad. Voorbeelden van gesubsidieerde locaties zijn Theater aan de Parade en Design Museum Den Bosch; niet-gesubsidieerde voorbeelden zijn de twee bioscopen Vue en Kinepolis.
  • Tilburg: 31% gesubsidieerd en 69% niet-gesubsidieerd, vrijwel gelijk aan het Brabantstad-gemiddelde. Opvallend is dat geen enkele filmlocatie gesubsidieerd wordt. Voorbeelden van gesubsidieerde locaties zijn Kunstpodium T en TextielMuseum; niet-gesubsidieerde voorbeelden zijn Hall of Fame en Draaimolen Festival.
  • Breda: 29% gesubsidieerd en 71% niet-gesubsidieerd, exact gelijk aan het Brabantstad-gemiddelde. Voorbeelden van gesubsidieerde locaties zijn Nieuwe Veste en MEZZ; niet-gesubsidieerde voorbeelden zijn Breepark en het Bierreclame Museum.
  • Oss: 28% gesubsidieerd en 72% niet-gesubsidieerd, vrijwel gelijk aan het Brabantstad-gemiddelde. Opvallend is het hoge aandeel gesubsidieerde podiumkunstenlocaties (67%) tegenover een laag aandeel gesubsidieerde beeldende kunstlocaties (9%). Voorbeelden van gesubsidieerde locaties zijn Theater de Lievekamp en Cultuurpodium Groene Engel; niet-gesubsidieerde voorbeelden zijn Focoss en Kinepolis.
  • Eindhoven: 23% gesubsidieerd en 77% niet-gesubsidieerd, het op één na hoogste aandeel niet-gesubsidieerde locaties. Voorbeelden van gesubsidieerde locaties zijn het Van Abbemuseum en het Muziekgebouw; niet-gesubsidieerde voorbeelden zijn Klokgebouw Eindhoven, Dynamo en het Philipstoneel.

Bekijk de gemeenteprofielen voor een visueel overzicht van de verspreiding van de cultuurlocaties in iedere gemeente.

Ateliers

In deze editie van Waarde van cultuur worden voor het eerst ook de ateliers ateliers als losse categorie meegenomen. Een atelier is een werkplaats van een kunstenaar, vaak een beeldend kunstenaar. Bij verschillende gemeenten bestond de behoefte meer zicht te krijgen op het atelierbestand in de stad en om te zien welke rol zij spelen binnen de lokale culturele infrastructuur. Zijn ze publiek toegankelijk en/of worden er publieke evenementen georganiseerd? In dit onderzoek definiëren we een open atelier als een atelier met openingstijden (op Google Maps en/of eigen website) en/of er workshops, exposities, manifestaties binnen de beeldende kunst worden georganiseerd (volgens de eigen website).

Brabantstad telt in totaal 370 ateliers, waarvan 72% open en 28% gesloten is. Dat is een opmerkelijk hoog aandeel open plekken. Ateliers gelden doorgaans als werkruimte voor kunstenaars, niet toegankelijk voor publiek. De cijfers laten een ander beeld zien.

De meeste ateliers bevinden zich in Eindhoven (84), gevolgd door ‘s-Hertogenbosch (73), Tilburg (71) en Breda (68). In de gemeenteprofielen gaan we dieper in op de ateliers per gemeente.

Gemeente Totaal aantal ateliers % van totaal
Eindhoven8423
‘s-Hertogenbosch7320
Tilburg7119
Breda6818
Oss4612
Helmond175
Roosendaal113
Totaal370

Het aandeel open ateliers verschilt tussen de gemeenten. In Breda, Tilburg en ’s-Hertogenbosch is bijna 80% van de ateliers op gezette tijden open en/of zijn er exposities te zien. In Eindhoven is dat een stuk lager, 65%. In Helmond, Oss en Roosendaal ligt dat aandeel op 55-60%. Voorbeelden van open ateliers zijn Kunstruimte de Melkfabriek, Galerie InDruk, het Inkt Atelier of Atelier de Muze (allen in ‘s-Hertogenbosch).

Data downloaden uit deze grafiek?

Onderzoeksmethodiek

Net als in eerdere edities van Waarde van cultuur is aan de Brabantstad gemeenten gevraagd om een lijst met cultuurlocaties te bekijken. Deze lijst is samengesteld door Dialogic. Dialogic heeft gekeken naar locaties die zichzelf op Google Maps presenteren als een museum, een plek voor beeldende kunst (zoals een atelier of galerie), een bioscoop of filmhuis, een plek waar muziek wordt gespeeld, een theater of podiumzaal, een bibliotheek, of een plek die meerdere van deze functies heeft. In overleg met de gemeenten is uiteindelijk bepaald welke locaties daadwerkelijk als cultuurlocaties beschouwd kunnen worden en welke daarvan vanuit de gemeenten worden gesubsidieerd. Hiernaast is voor het eerst gekeken naar open en gesloten ateliers.

Een directe vergelijking met de cijfers uit Waarde van cultuur 2024 is niet mogelijk. Door de aangescherpte methodiek is niet vast te stellen of verschillen komen door werkelijke veranderingen in het aanbod, een andere presentatie op Google Maps, of het gebruik van meer gedetailleerde zoekmethoden.

Een cultuurlocatie voldoet aan de volgende criteria:

  • Openbaar toegankelijk. De locatie kent vaste openingstijden en/of is open op vooraf geplande momenten, zoals bij een voorstelling.
  • Geen woonfunctie. Locaties aan huis worden uitgesloten, tenzij de locatie op gezette tijden een openbare functie vervult, zoals een galeriefunctie.
  • Geen culturele verenigingen. Oefenlocaties en registratieadressen van culturele verenigingen tellen niet mee.
  • Geen ateliers. Een locatie die zowel galerie als atelier is, telt wel mee als cultuurlocatie.

Ateliers zijn als losse categorie meegenomen en maken geen onderdeel uit van de cultuurlocaties. In dit onderzoek definiëren we een open atelier als een atelier met openingstijden (volgens Google Maps en/of de eigen website) en/of met te bezoeken workshops/exposities/manifestaties van beeldende kunst (volgens de eigen website). Gesloten ateliers kennen deze kenmerken niet. Naaiateliers en kookateliers worden niet meegenomen.

Zie de onderzoeksverantwoording voor meer details over de selectiecriteria en aanpak.

Meer weten?

Bekijk het dashboard voor een deel van de indicatoren uit het Cultureel Kapitaal.

Op de pagina Culturele infrastructuur en aanbod presenteren we de landelijk beschikbare cijfers.

Wat zijn de verhalen achter de cijfers? Op Kunstloc Brabant vind je interviews met de mensen uit de culturele sector.

De onderzoeksverantwoording gaat uitgebreid in op de gebruikte data en onderzoeksmethoden.

Ben je benieuwd naar de resultaten uit 2024?