Inkomsten, subsidies en (personele) lasten van culturele instellingen

Kapitaal

Van 171 instellingen uit de B7-steden hebben we voor de periode 2019-2022 gegevens over inkomsten, subsidies en (personele) lasten. Hier presenteren we ontwikkelingen in deze cijfers, kijken we naar de verhouding tussen (eigen) inkomsten en subsidies en naar de verschillen tussen soorten cultuurinstellingen.

Samenvatting

De analyse van jaarrekeningen van (door de gemeente) gesubsidieerde instellingen laat zien dat de eigen inkomsten van culturele instellingen stijgen, maar nog onder het niveau van voor corona blijven. De festivals lijken niet op te krabbelen na corona. De subsidies van de instellingen zijn gestegen na corona.

Net zoals bij de analyse van de provinciale en gemeentelijke investeringen in cultuur zien we dat vooral de gemeenten subsidiëren. Centra voor de kunsten en bibliotheken hebben het grootste aandeel in de gemeentelijke subsidies. Letteren, makerswerkplaatsen, poppodia en visuele kunsten krijgen daarentegen relatief weinig subsidie. Het aandeel eigen inkomsten op subsidies daalt overall.

Inleiding

Bij de B7 gemeenten zijn de de jaarstukken van de meerjarig gesubsidieerde instellingen opgevraagd. Dit heeft van in totaal 171 instellingen uit de B7-steden gegevens opgeleverd over inkomsten, subsidies en (personele) lasten. We concentreren ons op de periode 2019-2022.

Inkomsten

Eigen inkomsten stijgen, maar nog onder niveau van voor corona

In 2020 zien we bij de 171 instellingen een sterke afname van de eigen inkomsten ten opzichte van 2019: van ruim €107 miljoen naar €49 miljoen euro. In 2021 krabbelen de inkomsten iets op naar bijna €55 miljoen. In 2022 stijgen de inkomsten weer flink en zijn we, met eigen inkomsten van ruim €101 miljoen, bijna terug naar de periode van voor corona.

€ – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022

Beperkt herstel van festivals na corona

De in totaal €101 miljoen euro eigen inkomsten in 2022 kunnen we verdelen naar discipline. De podia zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de helft van alle eigen inkomsten: een derde van de inkomsten is van de podia, een vijfde van de poppodia. Waar in 2019 nog 16% van de totale eigen inkomsten in Brabant van de festivals was, neemt dit na corona af naar 6%. Bij musea zien we daarentegen een stijgende lijn: in 2019 was 7% van de totale eigen inkomsten van musea, in de jaren daarna stijgt dit tot 14% in 2022. Bij de centra voor de kunsten en bibliotheken is de beweging tegengesteld: tijdens de coronaperiode steeg het aandeel eigen inkomsten van 12% naar 22%. In 2022 zakt dit terug naar het niveau van voor corona. 

Aandeel publieksinkomsten weer op niveau van voor corona 

Van de 101 miljoen euro eigen inkomsten in 2022 zijn 72 miljoen euro publieksinkomsten. Dat is ruim 70%. Hiermee is het aandeel publieksinkomsten weer op hetzelfde niveau als in 2019. In 2020 en 2021 was het aandeel publieksinkomsten van de totale eigen inkomsten slechts 50%. Andere eigen inkomsten bestaan uit sponsoring, bijdragen van private fondsen en overige directe en indirecte inkomsten. Het aandeel sponsoring is in de jaren 2019-2022 ongeveer gelijk gebleven met 3%. In private fondsen zien we door jaren heen lichte schommelingen, maar het aandeel blijft gering. Met name bij de overige inkomsten zien we fluctuaties rond corona. Hier zitten bijvoorbeeld de inkomsten vanuit de corona steunmaatregelen. Het aandeel overige inkomsten stijgt van 20% in 2019 naar 41% in 2021. In 2022 zakt dit weer naar 24%. 

Meer dan de helft van publieksinkomsten komt van de podia

Podia genereren in 2022 meer dan een derde (25 miljoen euro) van de totale publieksinkomsten, poppodia bijna een kwart. Gevolgd door CKE/bibliotheken (14%) en musea (13%). Het aandeel publieksinkomsten van festivals daalt hard tijdens corona, van 13% naar 1% van de totale Brabantse publieksinkomsten. In de jaren daarna stijgt het gestaag naar 5% in 2022, waarmee de festivals als enige discipline ver onder het niveau van 2019 blijven.

Subsidies

Subsidies gestegen na corona en komen vooral van gemeenten

In 2022 gaat er 167 miljoen euro subsidies rond bij de 171 instellingen. Dat is een lichte daling ten opzichte van 2021 (173 miljoen) maar een flinke stijging ten opzichte van 2019 en 2020 (respectievelijk 135 en 152 miljoen euro. Het zijn voornamelijk de gemeenten die de cultuursector subsidiëren. Dit geldt ook voor de instellingen binnen de B7. De B7 gemeenten nemen gemiddeld (over de periode 2019-2022) ruim 70% van de subsidies voor de instellingen voor hun rekening. Voor de provincie, rijk en de landelijke cultuurfondsen is dat gemiddeld 6%, 8% en 3%. De resterende 12% komt uit overige (incidentele, publieke) subsidiebronnen.

€ – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022

Centra voor de kunsten en bibliotheken grootste aandeel in subsidies

Bezien naar discipline krijgen de centra voor de kunsten en de bibliotheken gemiddeld 36% van de totale subsidies (Rijk, Provincie, Gemeente, Cultuurfondsen en overig). Er zit een duidelijk stijgende lijn in (van 50 miljoen in 2019 naar 66 miljoen in 2022). Een goede tweede zijn de (niet-pop-)podia met een aandeel van gemiddeld 22% in de totale subsidiesom. De subsidies voor de (niet-pop-)podia nemen na een stijging tijdens de corona periode weer af: 29 miljoen in 2019, 38 miljoen in 2020, 35 miljoen in 2021 naar 32 miljoen in 2022. Producenten podiumkunsten ontvangen 16% van de subsidies. De onderlinge verhoudingen tussen de disciplines blijven hetzelfde over de jaren wanneer we naar de gemeentelijke subsidies kijken. 

Letteren, makerswerkplaatsen, poppodia en visuele kunsten relatief weinig subsidie

Letteren en ‘overige’ instellingen (in meerderheid makerswerkplaatsen) ontvangen ten opzichte van de andere disciplines zeer weinig subsidie. Gemiddeld een half miljoen euro en 800.000 euro per jaar. Dit is nog geen 1% van de totale subsidies. De laatste groep krijgt vooral gemeentelijke subsidies. Ook poppodia en visuele kunsten krijgen relatief weinig subsidie: gemiddeld 6,7 miljoen en 5,7 miljoen euro op jaarbasis. Dit is ongeveer 3% van de totale subsidies.

Lasten

Uit de jaarrekeningen van de 171 instellingen is de verhouding tussen personeelslasten en totale lasten afgeleid. 

Stijgende totale lasten bij podia, centra voor de kunsten en bibliotheken en musea; fluctuerende lasten bij festivals

In 2022 hebben de culturele instellingen in de B7 zo’n 256 miljoen euro aan lasten. Dat was 228 miljoen in 2019. We zien vooral een stijging in de totale lasten bij de podia, zowel de pop- als de niet-poppodia. Bij de poppodia zijn de totale lasten in 2019 18 miljoen; in 2022 is dat 24 miljoen. Bij de niet-poppodia zien we de lasten stijgen van 60 miljoen in 2019 naar 62 miljoen in 2022. Bij de centra voor de kunsten en bibliotheken stijgen de lasten sterk van van 63 miljoen in 2019 naar bijna 80 miljoen in 2022. Dat geldt ook voor musea: van 22 miljoen in 2019 naar 29 miljoen in 2022. De totale lasten bij de festivals fluctueren sterk: van 25 miljoen in 2019, 12 miljoen in 2020, 31 miljoen in 2021 naar 16 miljoen in 2022.

€ – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022
€ – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022

Stijgende personeelslasten bij centra voor de kunsten en bibliotheken, daling of gelijkblijvend bij poppodia, overige podia en musea

Bij de centra voor de kunsten en bibliotheken zijn de personeelslasten gestegen van bijna 37 miljoen euro in 2019 naar 46 miljoen euro in 2022. Het aandeel personeelslasten op de totale lasten is gelijk gebleven (58%). Bij de poppodia zijn de personeelslasten gedaald en dat zien we terug bij de aandelen personeelslasten op het totaal (van 49% in 2019 naar 34% in 2022). Bij de overige podia en musea is dat goeddeels gelijk gebleven. De gestegen totale lasten bij deze instellingen hebben vooral te maken met kosten buiten de personele sfeer liggen: activiteiten, huur of anderszins.

% – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022
% – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022

Rato inkomsten en subsidies

Tot slot relateren we de cijfers over eigen inkomsten met die over de subsidies. We kunnen zo zien hoeveel eigen verdiensten er staan tegenover de publieke investeringen en hoe zich dat ontwikkelt. 

Het aandeel eigen inkomsten op subsidies daalt overall

In 2019 was het aandeel eigen inkomsten op het totaal aan subsidies 80%, in 2022 is dit gedaald naar 61%. In de coronajaren 2020 en 2021 was dat 32%. Dit betekent dat van elke euro subsidie in 2019 80 eurocent werd bijverdiend en in 2022 61 cent. Deze daling zien we bij bijna alle disciplines terug, maar wel in verschillende mate. De daling is het grootste bij de festivals (181%-71%) en het kleinste bij de producenten podiumkunsten (2019-2022: 36%-30%). De overige disciplines zijn de visuele kunsten (107%-62%), de podia (143%-100%), letteren (38%-9%), ‘overig’ (122%-70%).

Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022
€ – Bron: Jaarrekeningen instellingen 2019-2022

Musea en poppodia zijn qua aandeel eigen inkomsten weer (licht) opgekrabbeld

Bij de musea stijgt het eigen-inkomstenaandeel: van 53% naar 72%. De poppodia verdienen in 2022 meer dan zij aan subsidies ontvangen (324%). Dat is zelfs iets meer in 2019 (332%) maar veel minder in de coronajaren (104% en 54%). De poppodia zijn de enige soort instellingen die weer meer verdient dan ze aan subsidies ontvangen. In het verleden gold dat ook voor de festivals, de podia en de visuele kunsten in 2022 niet meer. 

Meer weten?

Bekijk het dashboard voor alle indicatoren over Economisch kapitaal.

In het magazine lees je meer over het gebruik van data bij gemeentelijk cultuurbeleid en vind je een visueel overzicht van de kernindicatoren van het Economisch Kapitaal.

De onderzoeksverantwoording gaat uitgebreid in op de gebruikte data en onderzoeksmethoden.